Heerma (2)

In het artikel 'Enneüs Heerma heeft een voorbeeld, John Major' (NRC Handelsblad, 8 december, beschrijft redacteur Kees Versteegh in het kader van de “oude cultuurverschillen tussen ARP en KVP' de oude KVP-cultuur “waarin elkaar veel minder rechtstreeks de waarheid wordt gezegd en die zijn hoogtepunt beleefde in een oktobernacht in 1966.

Toen bezorgde KVP-fractieleider Schmelzer zijn partijgenoot en premier Cals, die hij eerder nog hemelhoog geprezen had, de politieke dood''.

Niet alleen deugt dit voorbeeld niet, het getuigt van een gedateerde gedachtengang. Immers, op 4 oktober 1991 werd door professor Righart en anderen tijdens een symposium van de Koninklijke Academie van Wetenschappen gewijd aan de vermelde nacht (toen 25 jaar geleden) deskundig afgerekend met de mythevorming rond die nacht.

In het wetenschappelijk niet betwiste boek van dr. H. Notenboom 'De val van het kabinet-Cals', wordt op basis van uitvoerig feitenmateriaal vastgesteld dat al sinds de herfst 1965 openlijk waarschuwingen waren geuit over het financieel beleid van het kabinet-Cals (behalve uiteraard tijdens de algemene politieke en financiële beschouwingen). De ernstige zorgen van de KVP-fractie waren dus openlijk aan premier Cals en minister Vondeling gemeld.

Toen het kabinet onvoldoende aan de wensen van de fractie wilde tegemoetkomen heb ik de bekende motie ingediend waarin de regering werd uitgenodigd voorstellen te doen die meer waarborgen zouden bevatten voor een evenwichtig financieel-economisch beleid. Een motie die steun kreeg van een ruime Kamermeerderheid. Volgens o.m. dr. J. Zijlstra ('Dr. Jelle Zijlstra'), behoefde deze motie, die het kabinet opvatte als een motie van wantrouwen, niet als zodanig te worden beschouwd.

Het aftreden van het kabinet-Cals kan in geen geval worden gezien tegen de achtergrond van de door redacteur Versteegh gepresenteerde “KVP-cultuur”.

Integendeel, na een periode van zoveel publiekelijk en intern uitgesproken zorg over en kritiek op financieel en economisch terrein, kan de omschrijving “hemelhoog geprezen” toch nauwelijks worden verwacht van iemand die zich iets meer zou hebben verdiept in de wetenschappelijke literatuur (of in de tekst van de boeiende burlesque 'De nacht van Schmelzer' van Martin van Amerongen) als - zo blijkt uit het stuk - redacteur Versteegh. Ik ben er zeker van dat, indien hij dat wel had gedaan, er geen sprake zou zijn geweest van a) de nu door hem getoonde gedateerde subjectiviteit en b) deze ingezonden brief.