'Gedrag Chinese politici leidt tot onnodige conflicten'

De veroordeling van China's belangrijkste dissident, Wei Jingsheng, tot veertien jaar gevangenis gisteren wegens 'staatsondermijnende activiteiten' heeft geleid tot een golf van verontrusting onder Chinese intellectuelen. Een van hen is CHEN XIAOYA. Vorige week verloor ze haar baan bij de Chinese academie voor sociale wetenschappen naar aanleiding van een - nog ongepubliceerd - boek van haar hand over de studentenprotesten in 1989. “Ik heb alle hoop verloren, ik ben naïef geweest”, aldus Chen.

PEKING, 14 DEC. Of de veroordeling van Wei Jingsheng een nieuwe golf van onderdrukking inluidt durft de veertigjarige Chen Xiaoya niet met zekerheid te zeggen. Maar de ongewoon zware straf die de dissident gisteren kreeg opgelegd baart haar veel zorgen. “Ik hoop dat het om een geïsoleerde gebeurtenis gaat”, zegt Chen. “Maar verstandige politici deden er beter aan de juiste middenweg te bewandelen. Extreem gedrag van leidinggevende personen leidt tot onnodige conflicten.”

Dergelijke uitspraken deden Chen onlangs de das om. Want de historica, die zich bezighoudt met politieke protestbewegingen, wenst op generlei wijze beperkt te worden in haar intellectuele vrijheid. Haar bazen op de Chinese academie voor sociale wetenschappen (CASS) stelden dat uitgangspunt niet op prijs en besloten Chen, samen met drie andere kopstukken van de academie, te ontslaan.

Chen gelooft dat zij het slachtoffer is van een toenemende 'verlinksing', een opleving van het maoïsme op de academie. Ze haalt Wang Renzhi, de secretaris van de partij op het instituut, aan. Deze zou gezegd hebben dat “academici die zich niet bezighouden met onderzoek dat betrekking heeft op het marxisme, ontslagen dienen te worden”.

De CASS, een denktank van de regering, volgt in het algemeen de officiële politieke lijn. De wetenschappers op de academie volgen nauwgezet de politieke ontwikkelingen en proberen gewichtige beslissingen van de overheid zo veel mogelijk 'wetenschappelijk' te onderbouwen.

Volgens Chen is dat onjuist. “Een goede denktank tracht de regering een stap voor te zijn, zodat op de momenten dat het op een duidelijk beleid of standpunt aankomt, regeringsleiders kunnen putten uit doorwrocht onderzoeksmateriaal.” Op die manier zouden de autoriteiten ook haar manuscript over de studentenbeweging moeten lezen, vindt Chen.

Het boek, 'De geschiedenis van de democratiseringsbeweging van 1989', had in mei moeten uitkomen in Taiwan. Maar om voor Chen onduidelijke redenen is dat nog niet gebeurd. De studie over de gebeurtenissen op en rond het Plein van de Hemelse Vrede, waar de studentenbeweging in de nacht van 3 op 4 juni 1989 bloedig werd neergeslagen, is gebaseerd op zowel binnenlandse als buitenlandse bronnen. “Ik wilde een geschiedenisboek schrijven waarin heel duidelijk naar beide partijen wordt geluisterd.”

Chen vond eind 1993, toen ze met haar boek begon, dat de tijd rijp was voor een studie over de studentendemonstraties. “Vroeg of laat zou het immers toch geschreven worden. Het gaat om een onafgemaakte geschiedenis en aangezien ik over voldoende materiaal beschikte ben ik gewoon begonnen.” Nu verwijt ze zichzelf een “zekere mate van naïveteit”. “Ik heb gedacht dat de partijtop inmiddels wel met kritiek kon omgaan en intellectuelen beschouwde als waardevol en bruikbaar voor de maatschappij. Maar dat heb ik dus verkeerd ingeschat”, zegt ze.

Collega's die haar boek hebben gelezen vinden dat zij te mild is over de rol die Deng Xiaoping, China's opperste leider in ruste, heeft gespeeld tijdens de aanpak van de demonstranten. “Achteraf geloof ik dat ook de passages over Deng zijn voortgekomen uit mijn idealisme. Ik heb hem geen enkele verantwoordelijkheid toegedicht. Jarenlang zag ik Deng als een integer mens die onmisbaar is geweest voor de economische ontwikkeling in dit land. Ik hoopte van harte dat Deng geen fouten heeft gemaakt. Misschien dat ik nu wel meer over hem zou willen schrijven”, aldus Chen.

Volgens Chen waren de pro-democratische studentendemonstraties in 1989 een logisch resultaat van de toenmalige binnenlandse ontwikkelingen. “Het was hét bewijs dat de hervormingen in China (die vanaf 1978 plaatshebben - red.) ontoereikend waren. Tot op de dag van vandaag hebben alleen economische hervormingen plaatsgehad. De mensen hebben geen mogelijkheid aangereikt gekregen om zichzelf uit te drukken.”

Chen gelooft dat een politieke component binnen het hervormingsbeleid niet mag ontbreken. “Als de mensen de vrijheid krijgen hun gedachten te uiten, zal grootschalige onvrede uitblijven.” Ze gelooft om die reden dat de Chinese overheid de grootste verantwoordelijkheid draagt voor het uit de hand lopen van de protesten.

Nu Wei Jingsheng opnieuw voor veertien jaar achter de tralies verdwijnt is Chens geduld met China's politieke leiders op. “Ik maak het waarschijnlijk niet meer mee”, zegt ze bitter, “maar er gaat iets veranderen in dit land. Het is een kwestie van tijd. Alleen duurt het langer dan ik had gehoopt.”