Duits model favoriet voor Europese centrale bank

Bij een gemeenschappelijke munt hoort ook één centrale bank. Per 1 januari 1999, als de muntunie van start gaat, komt ook de Europese Centrale Bank in funktie. In Frankfurt, waar nu al de voorloper van die centrale bank, het Europese Monetaire Instituut (EMI) is gevestigd, zullen voortaan de beslissingen over het monetaire beleid worden genomen, door een bestuur dat bestaat uit zes directieleden en presidenten van de dan regionale nationale centrale banken.

De nationale centrale banken, waaronder ook De Nederlandsche Bank, staan een deel van hun bevoegdheden, en dus ook van hun werkzaamheden af. Maar een aardverschuiving zal dat volgens directielid A. Wellink niet veroorzaken op het Amsterdamse Frederiksplein, waar de Nederlandsche Bank is gevestigd.

Een van de taken van een centrale bank is het beïnvloeden van het klimaat op de geld- en valutamarkt. Dat gebeurt door het rentebeleid en/of de mate waarin de commerciële banken van liquiditeiten (geld) worden voorzien. Hoeveel van dat werk straks daadwerkelijk naar Frankfurt verdwijnt, hangt volgens Wellink onder meer af van het monetaire instrumentarium dat voor de Europese Centrale Bank wordt gekozen, en daar is nog geen officieel besluit over gevallen.

Kiezen de lidstaten van de Europese Unie voor het systeem van het aanhouden van verplichte kasreserves van de commerciële banken bij hun centrale bank, waarmee de condities op de geldmarkt worden beïnvloed, (zoals bijvoorbeeld in Duitsland en Nederland wordt gedaan), dan zal de uitvoering van dat beleid in hoge mate bij de nationale centrale banken kunnen plaatsvinden. Kiest Europa daarentegen voor een 'open markt-beleid', waarbij de centrale bank actief en direct liquiditeiten uitzet in of onttrekt aan de geldmarkt (zoals in Groot-Brittannië en ook de Verenigde Staten) dan kan dat alleen maar vanuit één centrum worden uitgevoerd.

Het Europese Monetaire Instituut liet in een voortgangsrapport van afgelopen november doorschemeren dat het 'Duits-Nederlandse' systeem vooralsnog vrij brede steun geniet. In dat geval verhuizen de monetaire beslissingen naar Frankfurt, maar blijft de uitvoering van dat beleid in de regio.

Maar hoe dan ook zal volgens Wellink van een kleinere organisatie bij De Nederlandsche Bank als gevolg van de centralisatie van het monetaire beleid in Frankfurt geen sprake zijn. “Onze meeste medewerkers zijn actief bij distributie, betalingsverkeer en het toezicht op de bankensector. Die taken blijven. Bij monetaire zaken, die voor een deel overgaan naar Frankfurt, werken veel minder mensen. Maar ook bij die activiteit, waarbij de beslissingsmacht naar de Europese Centrale Bank verdwijnt, komt er een grotere behoefte aan coördinatie en communicatie. We hebben niet de indruk dat we het straks met minder medewerkers kunnen doen. Misschien worden het er zelfs wel meer.”

Op de langere termijn is nog niet duidelijk hoe de toekomstige taakverdeling tussen de regionale Europese centrale banken zal zijn. “Dat kristalliseert langzaam uit,” denkt Wellink. “Het ligt er aan in hoeverre de centrale banken daarna ieder gebruik maken van de eigen comparatieve voordelen. Kijk maar naar de Verenigde Staten, waar in 1913 het federal reserve system was opgezet als een in hoge mate gedecentraliseeerd samanwerkingsverband tussen twaalf afzonderlijke centrale banken de de zogenoemde federal reserve board. Hieruit ontwikkelde zich, mede als gevolg van de crisis in de jaren dertig een centraal systeem met kantoren in twaalf steden. Washington werd na verloop van tijd het beslissingscentrum, New York de uitvoerende arm op het gebied van de geld- en valutamarkt, St. Louis profileerde zich bijvoorbeeld met beleridsgericht onderzoek.”

Volgens Wellink ligt het voor de hand dat de interventies op de valutamarkt, uiteindelijk terecht komen in een of enkele van de financiële centra waar de valutamarkt het grootst is. Londen, Frankfurt of Parijs liggen daarbij voor de hand. Om te kunnen zeggen welke toekomstige specialisatie voor De Nederlandsche Bank zal zijn weggelegd is nog te vroeg.

Anders dan de Bundesbank of de Banque de France, waar samen tienduizenden mensen werken, heeft De Nederlandsche Bank met zo'n 1500 medewerkers al een relatief bescheiden omvang. De centrale bank is al jaren bezig met een reorganisatie van het kantorennet. Naarmate de commcerciële banken de afhandeling van hun fysieke geldhandelingen steeds verder concentreren in bijvoorbeeld telcontrales, is er minder noodzaak voor een uitgebreid stelsel van vestigingen van de centrale bank in het land. Voor oude vestigingen zoals die in Groningen en Leeuwarden kwamen eerder al gemeenschappelijke kantoren in de plaats, en in een nieuwe ronde van reorganisaties streeft de Bank voor jaar 2000 naar nog maar 4 regionale kantoren in Amsterdam, Hoogeveen, Eindhoven en Wassenaar. Daarvoor is ter advisering aan de ondernemingsraad voorgelegd de sluiting van vestigingen Alkmaar en Heerlen over ruim een jaar, gevolgd door Arnhem, Breda, Drachten, Rotterdam en Utrecht over vier jaar.

De vier overgebleven regionale kantoren zullen het, zoals het er nu naar uitziet, drie jaar na de invoering van 1999 druk krijgen met het omwisselen van Nederlandse munten en bankbiljetten in 'euro'-munten en -papier. Een vergelijking tussen de komst van de euro en de na-oorlogse geldzuivering onder minister van financiën Lieftink gaat volgens Wellink niet geheel op. “Die actie had voornamelijk ten doel om de woekerwinsten uit de oorlog uit te schakelen. Maar ditmaal kunnen we geen rekeningen blokkeren zoals toen, of iedereen tijdens de overgang van oud naar nieuw geld een week lang op een bepaalde hoeveelheid geld laten teren (het tientje).”

De omwisseling zal ditmaal volgens een voorlopig plan geleidelijk, tijdens het eerste halfjaar van 2002 plaatsvinden. Hetgeen overigens niet wegneemt dat een bepaalde hoeveelheid geld niet wordt ingewisseld en voor altijd 'zoek' zal blijven. Hoeveel? “Alleen al bij de laatste overgang van het oude naar het nieuwe honderdje is voor bijna 100 miljoen guldens niet ingewisseld. Dus er kan een behoorlijk bedrag overblijven bij de vervanging van de totale voorraad chartaal geld. Als dat zo blijkt, gaat het geld bij ons in de kas, en komt zo indirect ten goede aan het Rijk.”