De wonderbaarlijke opkomst van een viool-verschijnsel; Het produkt Andre Rieu

Dankzij een walsje van Sjostakovitsj verwierf André Rieu een voor een klassiek musicus ongekende populariteit. Voetbalsupporters, Lionsclub-leden en zelfs Weense musici bewonderen zijn vlotte Strauss-interpretaties. Inmiddels werkt de violist met zijn adviseurs hard aan uitbreiding van het Rieu-imperium, merchandising en een internationale doorbraak.

De Kerstconcerten-tournee van André Rieu en zijn orkest doet op zaterdag 16 december de Maaspoort in Den Bosch aan, op 19 december de Prins Bernhardhoeve in Zuid-Laren, op 20 december de IJsselhallen in Zwolle, op 21 december de Jaarbeurs in Utrecht, op 22 december de Groenoordhal te Leiden en op 23 december de Statenhal in Den Haag. Kaarten via alle VVV-bespreekbureau's en bij de Nationale Theaterkassa: 06-9203.

De in avondkleding gehulde leden van de Lionsclub, bijeen in schouwburg De Meerse te Hoofddorp, komen na de champagne-pauze pas goed los. Als de eerste celliste op de klanken van Salomé van Robert Stolz een pikant buikdans-nummer voor het voetlicht brengt, wordt aarzelend meegeklapt. Maar bij het drinklied van Verdi's La Traviata komen de lokale notabelen en hun echtgenotes voor het eerst uit de stoelen, haken in en deinen mee op het ritme.

“Het viel me mee, voor een bedrijfsavond”, zegt André Rieu in zijn kleedkamer. Vergenoegd kijkt hij terug op het publiek, dat hem stampend en scanderend tot toegiften dwong: een reprise van de Radetzkymarsch en natuurlijk de Second Waltz van Sjostakovitsj. “Zodra mensen voelen dat wat je doet eerlijk is, dat je het leuk vindt om te doen, krijg je ze mee”, legt Rieu uit, het rokkostuum verwisselend voor een ruim, zwart ensemble. Zijn viool, een Vuillaume, heeft hij als gewoonlijk meteen na de voorstelling in bewaring gegeven bij zijn foudraalbewaakster, die volgens Rieu zo potig is dat ze “met haar tanden een flesje bier kan openmaken”.

De karavaan van de orkestleider omvat een veertigtal mensen, die vrijwel dagelijks met ijzeren discipline hun taken afwikkelen. Er is de kok die ervoor zorgt dat onderweg behoorlijk wordt gegeten en dat na de voorstelling altijd een kopje soep klaarstaat. Er zijn de chauffeurs en technici die zorgen voor transport en op- en afbouw van het decor. Alles moet voor de perfectionistische Rieu tot in de puntjes zijn geregeld: van het op de juiste plaats neerzetten van de gietijzeren lessenaars en goudkleurige Thonetstoelen tot het klaarleggen van de bij bepaalde nummers behorende requisieten als tulbanden, Mickey-Mouse-maskers of tamboerijnen.

Behalve het vermogen tot het geestdriftig ten uitvoer brengen van het populair-klassieke en operette-repertoire, wordt van de orkestleden gevoel gevraag voor scherts enSchmalz. Terwijl Rieu zijn verbindende teksten spreekt, omlijsten de leden van het Strauss-orkest die met klanken en opmerkingen; de klavierspeler slaat met een grote hamer de fluitist op zijn hoofd, als deze een jazzy improvisatie op de muziek uit The Third Man ten beste geeft. Het publiek waardeert de in rok en lange glitterrobes gestoken musici, die laten blijken ook in te zijn voor een lolletje.

Nu nog reizen de musici van hot naar haar in een huurbus, maar over een maand wordt de eigen, 18 meter lange, 'gelede' bus (de Straussmobiel heet die al onder de orkestleden) in gebruik genomen, met door Rieu persoonlijk ontworpen ligstoelen. Ook wordt de bus uitgerust met een keukentje, zodat de kok niet meer afhankelijk is van plaatselijke voorzieningen - en aldus op reistijd kan worden bespaard. Nu de soepmaaltijd nog in het theater wordt gebruikt, arriveert de karavaan niet voor half drie 's nachts in Maastricht - maar dat kan de joligheid onder de jeugdige orkestleden niet drukken.

Een paar dagen eerder liep de koorts zo hoog op, dat hij voor het eerst in zijn loopbaan een concert afzegde. André Rieu (48) ontving me in zijn woonkamer, waar op de bank een deken en een kussen nog getuigden van de griep van de orkestleider. Maar hij had alweer voldoende krachten om, terzijde gestaan door zijn vrouw, de verslaggever monter te woord te staan.

Rieu komt uit Maastricht, een groot katholiek gezin. Zijn vader was dirigent bij het Limburgs Symphonie Orkest (LSO), vier van de zes kinderen zijn ook in de muziek gegaan. Vader Rieu, in de nadagen van zijn loopbaan operadirigent te Leipzig, stuurde André voor het theoretisch fundament naar conservatoria in Luik en Brussel. Het spijt André Rieu dat zijn vader, die drie jaar geleden overleed, de doorbraak van een kleine anderhalf jaar geleden niet heeft mogen meemaken. Zijn ingetogen wijze van musiceren lag André niet zo. “Hoe kan je nou dag-in-dag-uit in die orkestbak gaan staan. In de zaal zie je alleen maar twee armpjes en een stokje”, zei André. “Het gaat om de muziek”, vond zijn vader. Waarop André: “In mijn orkest gaat het om mij.”

Na zijn studie werd André violist bij het LSO, maar al snel groeide de weerzin tegen het anonieme bestaan van orkestmusicus. Hij formeerde het Maastrichts Salonorkest en speelde het miskende repertoire van rond de eeuwwisseling, dat zo'n tien jaar eerder was herontdekt door Hub. Mathijsen van het Resistentie Orkest. Rieu combineerde de functie van orkestleider met die van causeur. Het aaneenpraten van de melodieën werd zijn handelsmerk; het succes van zijn zeven jaar geleden geformeerde Strauss-orkest is deels te verklaren uit dit tussen de bedrijven door 'flauwekul maken' - zoals Rieu het noemt.

Van lieverlede heeft Rieu zijn baan bij het LSO eraan gegeven, zijn vrouw staakte haar werk als lerares Duits. Sindsdien doen ze samen de organisatie van 'het produkt Rieu' en schrijven ze de causerieën; Marjorie vertaalt die voor de gestaag groeiende Duitstalige markt - er zijn al een paar Rieu-concerten door de Duitse tv geregistreerd - terwijl André zich ontfermt over nieuwe arrangementen. Ondertussen schrijft het echtpaar een boek over het leven van de violist, dat komend voorjaar moet verschijnen.

Het afgelopen jaar is rond het alom vereerde vioolverschijnsel een ware industrie ontstaan, met een geschatte omzet van 5 à 6 miljoen gulden. Van zijn cd Strauss & Co zijn al 750 duizend exemplaren verkocht en van zijn nieuwe cd Wiener Mélange in een maand tijd 195 duizend. Hij trad verscheidene malen op voor uitverkochte evenementenhallen als Groenoord, Rai en Ahoy; indien Rieu alle aanvragen voor optredens zou honoreren, kon hij de komende vijf jaar elke avond optreden. Er zijn chocolade-viooltjes in de handel, met op de verpakking het lachende gezicht van de violist en het motto 'Geen house maar Strauss'. Met zijn naaste adviseurs broedt hij op nieuwe vormen van merchandising - te beginnen met een Rieu-parfum-lijn.

Hij was al jaren bekend bij een kleine groep liefhebbers van het Salon- en het 'Weense' repertoire, dat zijn cd's in bescheiden oplagen kocht. In Maastricht verwierf Rieu bovendien populariteit met het Hieringe Biete: jaarlijkse, Last-night-of-the-proms-achtige concerten op de dag na carnaval. Maar de grote bekendheid kwam met zijn vertolking van The Second Waltz van Sjostakovitsj, een onbekend werkje van de Russische componist (1906-1975) dat hij vorig jaar bij toeval in een platenstudio hoorde, uitgevoerd door het Concertgebouworkest onder leiding van Chailly.

Hij arrangeerde het circusachtige walsje voor zijn orkest, zette het op de plaat en sindsdien is het doorgedrongen tot in disco's en draaiorgels. Op de melancholische klanken ervan bestuurt de vertolker een stoomwals in een tv-spotje voor Bavaria Malt. En al is in het werk voor zijn instrument geen solo-rol weggelegd, Rieu play-backte 'The Second' dit voorjaar alleen en midden op het veld in een afgeladen stadion voor aanvang van de wedstrijd Ajax - Bayern München. Nu wordt Sjostakovitsj' wals steevast in de rust bij de wereldkampioen gedraaid - en steevast deinen vlaggetjes en ontvlamde aanstekers in het stadion devoot heen en weer en brult het legioen de melodie mee.

Het fenomeen Rieu lijkt op het juiste moment in een specifieke behoefte te voorzien. Blijkbaar is het grote, wat oudere publiek na het poptijdperk toe aan klassieke muziek, mits toegankelijk en met een nostalgische knipoog gebracht. Zoals, volgens de wet van het zinkend cultuurgoed, Lee Towers de afgelopen decennia het Nederlandse equivalent van de crooner werd en Mondriaan populair werd dankzij de dekbedhoezen, zo is blijkbaar, nu de scheidslijn tussen kitsch en 'hogere' cultuur vervaagt, de tijd rijp om Strauss, Lehár en Verdi tot Nederlands volksvermaak te verheffen.

Music for the millions - alleen Mozart beleefde eerder een soortgelijke brede herwaardering: toen Waldo de los Rios van een elektronische versie van zijn 40ste symfonie een hit maakte en toen daarna de film Amadeus een ware Mozart-rage ontketende. Belangrijk bij het populariseren van klassiek werk is het vinden van het juiste, prettige melodietje, zo blijkt uit de - tot nu toe vergeefse - speurtocht van André Rieu naar het 'nummer' dat de opvolger moet gaan worden van 'The Second'. Hij is ervan overtuigd dat hij iets vindt - zoals hij zeker weet dat hij ook het Duitse en Oostenrijkse publiek op de knieën krijgt. “Ook al vergt het - net als in Nederland - soebatten bij omroepen en platenmaatschappijen”, zegt hij. “Maar ze kunnen zich nu hier wel voor de kop slaan, dat ze het niet eerder in me hebben gezien.”

Van de kritiek dat hij afgemeten en een oud-concertviolist onwaardige, want elektronisch versterkte vertolkingen ten gehore brengt, wil Rieu niks weten. Als door collega's of cabaretiers schamper over hem wordt gedaan, dan verklaart hij dat uit jalousie de métier: “Ik doe niets met die muziek wat niet goed is; zet er geen dreun onder. Ik heb complimenten gekregen van musici van het Wiener Philharmoniker.” Zijn vrouw: “De vrouw van Robert Stolz zei, dat André die muziek Wienerischer speelde dan de Weners zelf.”

Rieu: “Ik breng het vrolijk lachend, in een mooi, zorgvuldig uitgelicht decor. Dat mag niet. Dan zal je volgens sommigen ook wel niet goed kunnen spelen.” Hij wordt pas echt boos als hem wordt toegevoegd, dat hij als begaafd musicus ooit wel weer zal terugkeren naar de serieuze concertpraktijk. “Dat zeggen katholieken ook altijd tegen de beklagenswaardige die uit de kerk stapt: we bidden tòch voor je, het komt wel weer goed.”

De landen waar zijn muziek nog niet is doorgedrongen, beschouwt Rieu als “nog te ontginnen” gebied. Daartoe rekent de orkestleider sinds kort de Verenigde Staten, waar Jan Corduwener van zijn platenmaatschapppij Mercury inmiddels een eerste contract, met een pay-tv-kanaal, heeft afgesloten. Tegelijk met die tv-special in het komend voorjaar wordt Strauss & Co in de VS opnieuw gelanceerd en maakt Rieu een tournee langs zes grote steden. Neemt de violist met alle investeringen niet al te grote risico's? “Misschien”, zegt hij, “maar ik heb nu eenmaal het karakter om het avontuur aan te gaan en in mezelf te geloven.”

Belastingadviseur Wil Roemen, een oud-buurman van André Rieu, komt de eer toe de violist te hebben geadviseerd “voor zichzelf te beginnen”. Tien jaar geleden kon Rieu volgens hem al meer verdienen met zijn twee eigen orkesten dan met zijn baan bij het LSO. Eerst is André toen nog voorzichtig twee jaar part-time in orkestdienst geweest, weet Roemen. Vervolgens werd de firma drastisch uitgebouwd en nog vóór 'de doorbraak' kon het deftige, vrijstaande herenhuis in Maastricht worden aangeschaft. Thans is daar het hoofdkwartier van Rieu gesitueerd, maar langs de snelweg naar Eindhoven is een hal in aanbouw waarin volgend jaar Rieu's kantoor, magazijn en repetitieruimte worden ondergebracht.

“Het ondernemen zit hem in het bloed”, constateert Roemen, die nu driekwart van zijn tijd - en dat zijn 'geen normale kantooruren' - louter aan Rieu besteedt. Maar Roemen prijst ook Rieu's muzikale kwaliteiten: “Bij het uitlaten van mijn hond sprak ik laatst een man, die niets van mij wist. Hij had een half jaar in het ziekenhuis gelegen, kon nauwelijks meer zien, 'maar', zei hij, 'met eenRieutje op de achtergrond heb ik nergens meer last van'. Die muziek brengt velen vreugde en heeft op sommigen een therapeutisch effect.”

Naast zijn vrouw, het kantoorpersoneel en Roemen behoren nog twee mensen tot Rieu's niet-reizende staf: advocaat Herald Jongen van kantoor Loeff, Claeys, Verbeeke en de 77-jarige impresario Wout van Liempt. Jongen staat bekend als keihard onderhandelaar bij het vaststellen van contracten, gages en royalties. Hij zegt dat de adviesgroep rond Rieu is gemodelleerd naar die van Andrew Lloyd Webber, de succesvolste hedendaagse musicalcomponist. Op Amerikaanse leest: de advocaat altijd in de eerste linie. Toen een drogisterij-keten in zijn folder ten onrechte oude Rieu-vertolkingen als Strauss-composities verkocht, daagde Jongen het bedrijf met succes voor de Kort-Geding-rechter.

Jongen en Van Liempt hebben het dit jaar al druk gehad met de behartiging van Rieu's zaken, maar met de Kersttournee voor de boeg is het 'een gekkenhuis'. Van Liempt weet uit ervaring hoe geliefd het operette-repertoire is bij het Nederlandse publiek: “Robert Stolz noemde Nederland zijn tweede vaderland”, zegt hij, “en Willy Boskovski heeft jarenlang met nieuwjaarsconcerten door Nederland getourd. Rieu heeft heeft net zo'n inzet en charisma en weet zijn spontaniteit en enthousiasme op het publiek over te brengen.” Van Liempt zit 'al vijftig jaar in het vak', dus hij weet waarover hij praat. “Ik heb bij optredens in hallen mensen in rolstoelen zó uitzinnig met hun armen zien zwaaien, dat ik dacht: direct staan ze op. André voldoet aan de drie eisen voor succes: talent, arbeid en geluk. Hij kan zijn succes continuëren - daarvoor heeft hij voldoende liefde voor de muziek en het publiek.”

Ook Jongen heeft vertrouwen in het verloop van Rieu's internationale ambities: “Hij spreekt vloeiend Frans en Duits, zijn naam brandt over de hele wereld meteen op het netvlies. André is geen eendagsvlieg, dat wordt door het publiek herkend.” Maar zijn Rieu's klassieke mopjes, uitsluitend bedoeld om het grote publiek te behagen, niet gewoon een beetje dun? “Moet je iemand zijn feeling voor de smaak van het publiek kwalijk nemen?” antwoordt Van Liempt retorisch. “Het publiek verlaat de zaal enthousiast en heeft gekregen wat het wil. Dan heb je je werk goed gedaan.”