De gematigden gewapend

In de vorig jaar verschenen bundel Interviews uit Nederland staat een vraaggesprek opgenomen dat het weekblad Vrij Nederland in 1969 had met PvdA-leider Den Uyl. In dat gesprek wordt vooral gesproken over de opkomst van Nieuw Links in zijn partij die toen volop aan de gang was. Den Uyl zat er duidelijk mee. Aan de ene kant toonde hij begrip voor de reactiverende kracht van de beweging, maar voor het overige overheerste toch de huiver. “Het is de gedachte dat men gevestigde machten mag uitschakelen om tot maatschappelijke vernieuwingen te komen en dan met alle middelen. Juist omdat die ideologie er is, ben ik er zo achterdochtig van.” En, zo verzucht Den Uyl dan even verderop, “het is het probleem van de democratie, hoe je de gematigden wapent”.

Den Uyls opvolger Wim Kok lijkt die oplossing te hebben gevonden: niet door de gematigden te wapenen, maar door gewoonweg bij de gematigden aan te schuiven. Bijna anderhalf jaar na de totstandkoming van de sociaal-liberale coalitie, kwam Kok deze week eindelijk met een politieke onderbouwing van die keuze: “Het definitieve afscheid van de opvatting dat er één in afzonderlijke maatschappelijke groeperingen herkenbare tweedeling tussen arbeid en kapitaal zou bestaan, heeft het volle zicht gegeven op het feit dat het maatschappelijke midden het hart van de samenleving vertegenwoordigt”, aldus de PvdA-leider afgelopen maandag in de Den Uyl-rede.

Een opmerkelijke rede omdat Kok hierin, net als Den Uyl in 1969, zo nadrukkelijk afstand neemt van de radicale stroming binnen de PvdA voor wie het socialistisch ideaal het enig richtsnoer was. Als een “bijna tweede natuur” heeft Kok door de jaren heen een “stevige beducht- en bedachtzaamheid tegenover radicalen met zuivere standpunten ontwikkeld”, zo zei hij. En het “afschudden van de ideologische veren” was in bepaalde opzichten dan ook “een bevrijdende ervaring”. Kok kan dat met recht stellen. De ideologie is geheel weg. Het heersende wispelturige pragmatisme binnen de PvdA is thans veel eerder een probleem binnen de partij.

Getuige de eerste reacties op Koks rede is het vooral de streep onder Het Socialisme, die is opgevallen. Dat is vreemd. Want handelt de PvdA al niet veel langer in die geest? Sinds de partij in 1989 na vele droefgeestige oppositiejaren weer tot de regering toetrad zijn er permanent ideologische veren afgeschud. In al zijn naaktheid is de PvdA reeds lang de middenpartij geworden, die Kok maandag als doel schilderde. Hij heeft zijn volgelingen met zijn toespraak dan ook eerder een spiegel voorgehouden dan de weg gewezen. Maar de blik in de spiegel blijkt voor enkelen dan toch even schrikken.

Juist omdat de rede van Kok zo'n stempel van 'verantwoording achteraf' droeg, is het weinige dat hij over de toekomst zei nauwelijks opgevallen. Want tegelijk met de afrekening met het verleden en de verklaring voor de huidige politieke positie in het midden, gaf Kok ook op de hem bekende voorzichtige manier aan, dat er grenzen aan de huidige ontwikkeling liggen. Tussen de regels door viel er wel degelijk een pleidooi voor een sterke staat te horen. Weliswaar aangepast aan de huidige tijd en ontdaan van de bureaucratische nadelen, maar wel met een “gezaghebbende” rol voor de politiek. “Het publieke belang vraagt om een herdefiniëring”, zei Kok. Alleen jammer dat hij daar zelf niet een eerste aanzet toe gaf.

Dat is dan ook het grote manco van Koks eerste grote politieke rede. Heel vaak is daarin premier Kok aan het woord die het kabinetsbeleid en de keuzes die er aan ten grondslag liggen uiteenzet. De partijleider Kok laat zich echter veel minder horen, waardoor het visioniare deel toch vaak blijft steken in algemeenheden, het belang van de publieke zaak. Het is het verschil tussen Den Uyl en Kok ten voeten uit. Den Uyl schroomde niet om aan te geven hóe iets moest gebeuren, Kok beperkt zich tot de mededeling dàt er wat moet gebeuren.

Electoraal gesproken is dat trouwens een verstandige keuze van Kok. Als het de taak van de sociaal-democratie is een brug te slaan naar het midden om een “brede volksbeweging” te worden zoals Kok maandag stelde, moet de partijleider zich niet al te nadrukkelijk politiek profileren. Kok zei het er waarschijnlijk uit bescheidenheid niet bij, maar de grote troef om die middenpositie te bestendigen is zijn eigen minister-presidentschap. Dat is niet gebaat bij te veel politieke bagage.

Het gevaar is dan wel dat anderen zijn globale verhaal echt inhoud gaan geven. Sterker nog, het denken in de PvdA over herdefiniëring van het publieke belang is volop aan de gang. Een voorbeeld daarvan is het door Kok niet in dank afgenomen werkstuk De wonderbaarlijke terugkeer van de solidariteit van directeur Paul Kalma van het wetenschappelijk bureau van de PvdA. Dit stuk is weliswaar in de interne partijdiscussie weer even wonderbaarlijk verdwenen, maar dat neemt niet weg dat de notitie van Kalma, waarin het overheersende marktdenken fel werd bekritiseerd, toch bij veel PvdA'ers buiten het directe Haagse circuit als een verademing is overgekomen.

Kok beschouwt de komende tien jaar als drukke tijden voor de politiek, waarin de liberale en sociaal-democratische visies om voorrang zullen strijden, zo zei hij afgelopen maandag. Rol en omvang van het publieke domein zullen hierbij het kernthema vormen. Maar het curieuze is nu juist dat deze discussie zich niet zozeer afspeelt tussen de partijen die deze visies vertolken, maar vooral ook binnen de betreffende partijen zelf. Daardoor is het veel meer een praktische vraagstelling geworden dan een ideologische. Iets dat de pragmaticus Kok alleen maar kan aanspreken.

Blijft de vraag wat de betekenis van de christen-democratische stroming in dit geheel nog is. Het feit dat Kok deze niet noemt is veelzeggend. Het betekent dat hij de ideologische heroriëntatie met daarin veel aandacht voor de kwaliteit van de samenleving, die thans binnen het CDA aan de gang is, als niet meer dan cosmetica beschouwt. Ook voor het CDA is er slechts een keuze tussen de liberale en sociaal-democratische benadering. De vele decennia dat christen-democraten in het landsbestuur zaten, geven voldoende aanknopingspunten voor deze gedachte. In de oppositie heeft het CDA de ruimte om wel iets 'eigens' te ontwikkelen. Het feit dat Kok daaraan voorbij gaat, kan op twee dingen wijzen: òf hij heeft geen enkele fiducie meer in het CDA, òf hij houdt rekening met de spoedige terugkeer van het CDA aan de macht waardoor het denken over het ideologisch fundament direct weer stilvalt. Kok zou Kok niet zijn als hij niet met beide mogelijkheden even sterk rekening hield. Hij heeft niet voor niets voor het midden gekozen.

    • Mark Kranenburg