Alleen de computer kan schrijven

De antraciet marmeren vloer van de Dienst Parkeerbeheer aan de Weesperstraat in Amsterdam glimt sterk. Bijna ga ik onderuit door een losliggende kabel. Een werkman verontschuldigt zich. Ik sluit me aan bij de rij wachtenden. Achter een metalen bureau zitten een man en een vrouw. Een houten wand scheidt hen van hun collega's. Op het bureau staat een grijs telefoontoestel. Een andere werkman trekt achter de wand kabels door een plastic buis.

Ik wil mijn parkeervergunning op mijn eigen kenteken terug laten zetten. Die kleine administratieve handeling is de vorige keer met veel problemen gepaard gegaan. Tijdens mijn vakantie heeft een vriend op het huis gepast en hij wou zijn auto in de buurt kwijt. Daarvoor heeft hij mijn parkeervergunning geleend.

“Wat kan ik voor u doen?”, vraagt de man. Zijn kin is met witte donshaartjes begroeid.

“Ik wil mijn parkeervergunning weer op mijn eigen kenteken laten terugzetten.”

“Dat kan nú niet.”

“Waarom kan dat nú niet?”, vraag ik hem beleefd.

“De computer is nog niet aangesloten”, antwoordt hij kortaf. De adrenaline begint mijn hart op te zwepen. Toch weet ik me te beheersen. Ondertussen toon ik hem alle benodigde papieren en leg hem rustig de situatie uit.

“Het kan níet zonder computer.” De telefoon op zijn bureau rinkelt. Hij neemt de hoorn van de haak en praat. Zijn gezicht heeft hij naar beneden gericht en met een blauwe ballpoint krast hij op een notitievelletje. Met de linkerhand reik ik over het bureau naar de telefoon en duw met mijn vingers de doorzichtige haak van het toestel naar beneden. Alsof hij met stomheid is geslagen luistert hij naar de pieptoon.

“Maar meneer”, zegt hij beduusd.

“Dat was nogal onbeschoft van die telefoon...”, zeg ik kalm. “Je was met míj in gesprek, weet je.” Met een verstomde blik kijkt hij me met grote ogen aan.

“Kun je niet even een voorlopige vergunning uitschrijven?” Ik wijs naar een stapeltje kaartjes dat voor hem ligt.

“Nee.”

Dit antwoord kon ik verwachten. Die gozer doet niets meer voor me. Hij verwijst me naar het dichtstbijzijnde bijkantoor. Ondertussen rinkelt de bel opnieuw. Even kijkt hij naar me en dan wendt hij zijn blik naar zijn collega. Ik vraag hem of hij niet naar dat kantoor kan bellen om de gegevens te controleren. De telefoon rinkelt door. Hij zegt nee. Ik wil zijn naam weten voor het geval dat het bij de andere vestiging ook niet kan. Hij schrijft en geeft me een stukje papier.

“Nú kun je hem opnemen”, zeg ik en loop weg. Tot aan de buitendeur staan de wachtenden die me staan aan te gapen. Buiten lees ik zijn naam die uit acht cijfers bestaat.

Híer zijn de ambtenaren letterlijk weggecijferd.