Vergeten 19de-eeuwse romanticus Ary Scheffer geëerd in Dordrecht en Parijs; De omhelzing van verschillende stijlen

Tentoonstelling: Ary Scheffer, gevierd romanticus. T/m 10/3 in Dordrechts Museum, Museumstraat 40, Dordrecht, di t/m za 10-17u., zo en feestdgn 13-17u. Catalogus: ƒ 49,50. Programma van activiteiten (concerten, stadswandelingen) is in het museum verkrijgbaar.

Tweehonderd jaar geleden werd Ary Scheffer geboren in Dordrecht en daarom wijdt de stad de komende maanden diverse evenementen aan de schilder. Hij was een van de best betaalde schilders van de Franse Romantiek, wiens werk veelvuldig door collega's werd gekopieerd. Het Dordrechts museum, dat een grote Scheffer-collectie huisvest, exposeert nu ruim tachtig schilderijen, waaronder bruiklenen uit Frankrijk, Engeland en Polen. Ook is het Parijse atelier van de kunstenaar, waarin nu het Musée de la vie romantique is gevestigd, in Dordt gereconstrueerd.

Ary Scheffer is een typisch voorbeeld van een kunstenaar die tijdens zijn leven (1795-1858) zeer gevierd was, maar wiens oeuvre daarna wegzakte in vergetelheid. Het is vooral de sympathie waarmee Vincent van Gogh over enkele religieuze stukken van Scheffer schreef, waardoor zijn naam ook in onze eeuw nog een bekende klank kreeg. Scheffer had een goed gevoel voor de tijdgeest, en bediende zijn publiek zowel met historiestukken als literaire thema's. In de vele portretten van vooral de Franse adel hanteerde hij de erotiserende soft-focus stijl van Ingres, zoals op het uit Warschau geleende portret van Katherina Potocka (1850). Maar er hangt in Dordrecht ook een mooi portret in realistische trant van Franz Liszt.

Bij de uitwerking van zijn politieke en literaire thema's heeft Scheffer beslist veel te danken aan zijn veel beroemdere leeftijdgenoot Delacroix. Zo hangt op de tentoonstelling een scène uit Dante's Inferno, namelijk het tragische, overspelige paar Paolo en Francesca dat voor straf in een eeuwige draaikolk wordt rondgesleurd. De toekijkende Dante en Vergilius lijken rechtstreeks ontleend aan Delacroix' uitbeelding van een onderwereldscène van enkele decennia eerder.

Ook in de 'rembrandteske' manier van schilderen echoot Scheffer het dramatische clair-obscur en de vuurrode accenten van Delacroix. Reden voor Baudelaire om in zijn kritiek over de salon van 1846, onder het kopje 'eclecticisme', Scheffer af te doen als een imitator, die ook teveel ontleend zou hebben aan 'de neo-christelijke school van Overbeck'. Sinds de dood van zijn moeder in 1839 was Scheffer namelijk steeds meer religieuze motieven gaan uitbeelden.

Het zijn die religieuze schilderijen, waaruit Scheffers sociale bewogenheid spreekt, die de goedkeuring van de jonge Van Gogh weg kon dragen. In de tijd dat die nog plannen had om evangelist te worden, hing hij een prent van het schilderij Christus consolator op, waarin als opvallend detail een negerslaaf door Jezus van zijn boeien wordt bevrijd.

Na de bombast van een monumentaal opdrachtstuk als De heilige Thomas van Aquino, predikend tijdens een storm (geleend van het Petit Palais) en de verstarde classicistische trant waarin de dood van Eurydice is weergegeven, komt het latere, religieuze werk van Scheffer minder gelikt en persoonlijker over. Overigens gebruikte hij ook in de religieuze werken de rembrandteske techniek (onder meer in een portret van Calvijn) naast de gladde, geglazuurde variant. Een mooi voorbeeld van het laatste is De smarten der aarde verheffen zich ten hemel en veranderen in hoop en gelukzaligheid, een groot doek van 220 bij 140 cm dat hij vlak voor zijn dood voltooide. Een groepje getourmenteerde vrouwen transformeert in een wolk van engelachtige wezens die het Licht hebben gezien. Het is een mierzoete scène, in nogal conventionele classicistische trant geschilderd. En toch brengt het wel degelijk een gevoel van opgetild worden teweeg. Ongeveer zoals de latere Symbolisten dat voor elkaar kregen.

Het interessantst zijn natuurlijk die stukken waaruit een intieme betrokkenheid spreekt, en die zijn bij Scheffer zeldzaam. Als hij zijn dode moeder schildert, bekommert hij zich eindelijk eens even niet om de canons in de kunst.

Hij schilderde zijn moeder die hem altijd gesteund had, op ingetogen realistische wijze: als een vredig ingeslapene met de deugdzame trekken van Maria, Christus' moeder, zelve. Het kleine portretje werd tussen twee houten luiken gevat alsof het een altaarstuk was. Omdat Scheffer afgietsels van zijn moeders handen en gezicht had gemaakt, kon hij haar postuum ook nog vereeuwigen in marmer. Het liggende beeld dient als grafsculptuur, maar het origineel stond op Scheffers atelier - en nu dus ook in de nagebouwde studio.

Scheffer blijkt trouwens gefascineerd geweest door doodsbed-scènes: op de tentoonstelling hangen maar liefst vier schilderijen met dat onderwerp. Het bekendste is het sterfbed van Géricault, die Scheffer een paar maal ontmoette en van wie hij enkele tekeningen bezat. Ary Scheffer schilderde niet zozeer naar de kunstgeschiedenis, zoals Delacroix deed, maar naar de kunstenaars van zijn eigen tijd. Dat hij diverse stijlen tegelijkertijd omhelsde, is iets wat in onze eclectische tijd wel belangstelling voor zijn oeuvre weet te wekken.

Maar het succes dat hij had met zijn werk - wat alleen al blijkt uit de talloze 19de-eeuwse prenten, replica's en kopieën naar Scheffers schilderijen - is nu niet goed meer te begrijpen. Een van de restanten van dat succes is het Dordrechtse Scheffersplein, waarop sinds meer dan honderd jaar een standbeeld van de kunstenaar prijkt. Aan het plein huisde ooit een boekhandel waar Vincent van Gogh een tijdje werkte en vanwaar hij zijn voorbeeld - zwierig in brons vereeuwigd met palet en penselen in de hand - kon bekijken. Het kan verkeren.