Uncle Sam neemt sceptisch Kaposvár over

KAPOSVÁR, 13 DEC. In het stadhuis van het Zuidhongaarse stadje Kaposvár is een nieuw verlanglijstje van de Amerikaanse strijdkrachten binnengekomen. Graag zouden zij huren: twee mobiele kranen met een hijsgewicht van minimaal veertig ton, dertig minibusjes en zes grote bussen, wegdekdelen van beton en metaal, een paar honderd telefoonlijnen en een paar honderd hotelkamers, tachtig tolken Engels/Hongaars en 250 tolken Engels/Servokroatisch. Asap - as soon as possible.

In zijn kantoortje boven de raadszaal zucht Lajos Kerí, de gemeentesecretaris. Natuurlijk is hij blij, opgewonden zelfs, zegt hij, sinds de Verenigde Staten drie weken geleden zijn stad en de nabijgelegen luchtmachtbasis Taszár hebben uitgekozen om een doorgangskamp in te richten voor de 20.000 soldaten die zij bijdragen aan de internationale vredesmacht in Bosnië. Want dollars kan Kaposvár, een plattelandsgemeente met 70.000 inwoners, goed gebruiken. Maar zelfs vijf jaar na de langzame val van het Hongaarse communisme is het hier nog even wennen aan de brute krachten van de vrije markt. De vraag begrijpt hij, zegt Kerí, maar over het aanbod moet hij nog even nadenken. “Het is een uitdaging”, glimlacht hij ten slotte.

“De Hongaren beseffen absoluut niet wat hun boven het hoofd hangt”, zegt een officier van Task Force 29, de Amerikaanse eenheid die de luchtmachtbasis in gereedheid moet brengen. “Hier gaat heel veel veranderen.”

De ganzen en kraaien hebben het luchtruim boven Kaposvár niet meer voor zichzelf. Matgrijze Lockheed Starlifters en Hercules-transportvliegtuigen dalen uit de mist boven de stoppelvelden, laden militairen en voorraden uit, en vertrekken in een wolk van rook en lawaai. Dat is nog maar het begin. Na de ondertekening van de Dayton-akkoorden in Parijs, morgen, wordt de basis met een vaste bezetting van 3.000 man op volle sterkte gebracht. Dan volgen in honderden vluchten de 20.000 militairen van de 1ste Pantserdivisie die op doorreis zijn naar Tuzla in het noorden van Bosnië. Op de basis, vijftig kilometer ten noorden van de Kroatische grens, treffen zij hun tanks en andere uitrusting aan die per spoor moeten komen, zij oefenen er een paar dagen en reizen dan naar 'het front'.

Met verbazing en enige afgunst bekijken de Hongaarse officieren en dienstplichtigen hun eerste Amerikaanse gasten. Dit is hem dus: voorheen de kapitalistische neo-imperialistische vijand. Hij draagt lichtgewicht poolkleding van kunststof en geen muffe katoen zoals de Hongaren, hij rookt geen shag zoals zij, luistert naar rap op zijn walkman als hij even uitrust en hij rijdt in vierwielaangedreven Chevrolets, niet in open Tatra-vrachtauto's. Sinds de gloriedagen van de jeep, Glenn Miller en Lucky Strike is er veel veranderd, maar het principe is hetzelfde gebleven: waar Uncle Sam neerstrijkt imponeert hij vriend en vijand.

Pagina 5: In Kaposvár zal straks niets meer hetzelfde zijn

Luitenant-kolonel Sándor Gobányi, 'tweede man' van de basis Taszár, heeft geen moeite met de invasie. “We hebben altijd geoefend om diegenen te bevechten die onze soevereiniteit zouden bedreigen en dat blijven wij doen”, zegt hij, “maar binnen het voormalige Warschaupact vertegenwoordigde mijn land altijd het vreedzame standpunt.” Hij is alleen een beetje bezorgd over het weer, niet over de cultuurshock die de Amerikanen misschien teweeg zullen brengen. “De Hongaarse geschiedenis wijst uit dat verschillende culturen hier elkaar steeds ontmoet hebben”, zegt hij. “Ook de Amerikanen zullen wij gastvrij ontvangen. Ik begrijp dat zij een trots volk zijn, maar bedenk wel dat ook Hongaarse emigranten aan hun cultuur hebben bijgedragen.”

Sinds de Sovjets de basis Taszár in het begin van de jaren negentig verlieten, lijkt er geen onderhoud van betekenis te zijn uitgevoerd. De verf bladdert, het beton rot, het prikkeldraad roest. Voor de verkeerstoren is een dozijn Mig- en Suchoj-jachtvliegtuigen van de Hongaarse luchtmacht ingesneeuwd. Achter een hangar staat een kruisraketje zielig op schragen. Duitse herders janken achter kippegaas - teveel indringers.

Anderen op de basis hebben eveneens de smoor in. Onder hen bevinden zich de tientallen Hongaarse chauffeurs die al uren wachten tot zij “eindelijk hun containers eens kunnen afladen en naar huis mogen”. Ook de morsige uitzendkrachten die kisten uitpakken, geulen graven en tenten moeten opzetten lijken matig enthousiast. Het ploegje staat onder bevel van een Amerikaanse burger, een duvelstoejager in laarzen en een bontjekker van de firma Brown & Root uit Texas die veel werk uitvoert voor het Amerikaanse leger. “Vertaal eens 'Haal een moker en sla die verdomde paal in de grond',” roept hij tegen zijn Hongaarse tolk.

De Amerikanen hebben hun eigen radarcontrolepost ingericht op het vliegveld. De Hongaarse verkeersleiding noemen zij “minder geschikt voor de moderne militaire technologie”. Ze brengen hun eigen brandstof, antivries en, tot de keukens draaien, ook hun eigen gevechtsrantsoenen: MRE's, meals ready to eat, beter bekend als meals rejected by Ethiopeans. Maar geleidelijk aan zullen zij voedsel en andere voorraden bij de Hongaren betrekken, zo hebben zij beloofd. De 3.000 'vaste' Amerikanen die op de basis maar vooral in Kaposvár komen te wonen, zullen dan ook deelnemen aan de lokale economie. Op die fase heeft de bevolking van Kaposvár haar hoop gevestigd, zij het voorlopig met enige reserve.

“Ik heb er al twee in mijn zaak gehad”, zegt fotohandelaar Tibor Visnyei. “Ze kwamen een filmpje laten ontwikkelen. Het beviel ze hier prima. Dat kan best goeie business worden met drieduizend van die klanten.” Hij verkoopt ook computerspelletjes en videocassettes. Met nieuwe voorraden inslaan wacht hij toch nog even tot hij weet wat de Amerikanen precies willen.

Ook mevrouw Fodor Sándorné, die een kiosk beheert aan de Fö, een elegante, door barokke gevels geflankeerde winkelpromenade met de eerste kerstalletjes, wacht nog even met de uitbreiding van haar assortiment, dat nu wordt gedomineerd door tijdschriften als het blootblad OKM. “Ik heb USA Today besteld, dat moet maar even genoeg zijn”, zegt zij.

József Tankovics, eigenaar van de Admiral Club waar tussen pluche en palmboompjes enkele niet meer zo moderne gokkasten lonken, gelooft dat de Amerikanen de weg naar zijn zaak snel zullen vinden. “Er is hier niet veel anders”, zegt hij. Nieuwe kasten kan hij dan altijd nog bestellen.

Voor de Job Club, het stedelijke arbeidsbureau, ontstaat bijna een vechtpartij als de nieuwe vacatures van de dag - voor timmerlui, technici en ongeschoolden - worden bekendgemaakt. Wie een baantje bemachtigt is voorlopig van een goed inkomen verzekerd.

Maar afgezien van de hotel- en restauranthouders die buiten het seizoen goudgeld verdienen aan de militaire voorhoede en de journalisten die als sprinkhanen zijn neergedaald, is de stemming onder de meeste inwoners van Kaposvár: eerst zien, dan geloven. Ze hebben hen nooit als vijanden gezien, zeggen ze. “Dat was alleen de officiële lezing”. Wel houden zij hun hart vast voor de schaduwkant van het Westerse kapitalisme waarin zij nu onverwacht worden ondergedompeld. “Laten we geen dromen koesteren” zegt gemeentesecretaris Lajos Kerí. “Wij verwachten een toename van prostitutie, drugsgebruik en aids. Maar wij zullen alles in het werk stellen om die uitwassen te beperken. De Amerikanen hebben beloofd dat hun militaire politie meedogenloos zal optreden tegen overtreders. Laten we hopen dat Kaposvár zijn oude rust en vriendelijkheid kan behouden.”

In het dorpje Taszár, naast de basis, is het met die rust vijf jaar na het vertrek van de Sovjet-straaljagers voorlopig gedaan. Honderden auto's met zand, bestemd voor de fundering van de tentenstad die op de basis verrijst, militaire konvooien, bussen met arbeiders en Amerikanen in gehuurde VW-busjes rijden hun straat stuk. De landende en stijgende vliegtuigen doen horen en zien vergaan.

“Ik heb gemengde gevoelens”, zegt stoker László Greczi in het dorpscafé. “De Amerikanen brengen werk en dat is goed in deze moeilijke tijden. Maar niets zal hier meer hetzelfde zijn. De jeugd kan niet meer terecht in ons gemeenschapshuis, de enige plek waar zij met elkaar plezier konden maken, want daar is nu een militair perscentrum.”

Twee jongens, allebei op gymschoenen, gekleed in ruimvallende jekkers met ritsen en met petjes van een baseballclub uit Boston achterstevoren op hun hoofd, kijken hun ogen uit. Waarom ze er zo Amerikaans uitzien? “Welnee! Dat is helemaal niet Amerikaans. Zo ziet iedereen van onze leeftijd eruit. Dat is de mode.”