Twee verschrikkelijke gezinnen

Hoe is het om in een verschrikkelijk gezin op te groeien?

Daar konden we de afgelopen week op de televisie twee buitengewoon interessante voorbeelden van zien. Op de BBC waren in Inside story een zoon en dochter te zien van het beruchte Engelse echtpaar Rosemary en Frederick West, samen de grootste Britse seriemoordenaars. Frederick vermoordde vermoedelijk meer dan dertig vrouwen, vaak na dagenlange seksuele martelingen. De lijken begroef hij in de tuin van zijn huis en onder zijn kelder. Hij pleegde dit jaar zelfmoord in de gevangenis, zijn vrouw werd onlangs tot levenslang veroordeeld voor haar aandeel in tien van deze moorden waaronder die op een dochter en een stiefdochter.

De kinderen West vertelden openhartig over hun traumatische jeugd (waarin ze meermalen te horen kregen dat ze vooral nooit in de tuin mochten graven!), maar ook zij konden uiteraard geen sluitende verklaring geven voor het monsterlijke gedrag van hun ouders. Elk woord dat je erover zegt, lijkt het mysterie alleen maar te vergroten. Zoals een Nederlandse advocaat die een gruwelijke moordenaar moest verdedigen, onlangs tegen me zei: “Er is geen verklaring voor, alle psychiatrische verklaringen ten spijt.”

Het was in ieder geval een leerzame uitzending voor hen die de verhalen van Jolanda uit Epe altijd ongeloofwaardig hebben gevonden. Wat in het huis van de Wests aan de Cromwell Street in Gloucester gebeurde, twintig jaar lang, was een versie van Sodom en Gomorra waar de ouders van Jolanda jaloers op zouden zijn geweest.

Het andere 'verschrikkelijke gezin' was dat van de Crumbs, dat nooit bekend was geworden als het niet één beroemde telg had voortgebracht: de striptekenaar Robert Crumb, vermaard door de manier waarop hij zijn seksuele wensdromen in hilarische strips heeft omgezet. Seksualiteit was (misschien is) voor Crumb net als voor de Wests een allesverterende obsessie. Een ex-vriendin zei in deze bijna genant openhartige documentaire over hem: “Tot normale seks was hij niet in staat. Het was veel paardje rijden en op mijn schoen zitten en hij masturbeerde vijf maal per dag - bij zijn eigen strips.”

Goddank kon Crumb zich dankzij zijn geniale tekentalent op een vreedzamere manier van zijn seksuele demonen bevrijden dan Rosemary en Frederick West. Voor zijn broer Maxon gold dat een stuk minder. Hij vertelde hoe hij vrouwen, tot in supermarkten toe, had aangerand. De laatste jaren brengt hij enkele uren per dag door op een spijkerbed - misschien temt dat ook wel de lusten.

Over Crumb bestaan twee belangrijke filmdocumentaires: die van de BBC uit 1987 (de TROS zond deze afgelopen zaterdagavond uit) en die van Crumbs vriend Terry Zwigoff uit 1994 die de VPRO zondagavond liet zien. Het bleken allebei goede documentaires, maar Zwigoff won het van de BBC omdat hij meer inzicht kon geven in Crumbs familiale achtergrond. De twee broers en de moeder van Crumb waren - in tegenstelling tot zijn twee zusters - bereid tot medewerking.

Charles, Roberts oudste broer, groeide uit tot het tragische hoofdpersonage van Zwigoffs film. Hij had nooit willen deugen en hij maakte weinig aanstalten om daarin verandering te brengen. “Ik heb een stimulans nodig van buiten, een verjongingskuur, daar moet ik voor naar een inrichting”, zei hij zwakjes. Het is er niet meer van gekomen: een jaar na de opnamen pleegde hij zelfmoord.

Crumb wekte niet de indruk dat hij zich het lot van zijn broer erg aantrok. Hij zat voortdurend te giechelen (”Jeez...”) terwijl Charles hem de vreselijkste dingen over zijn opvoeding en zichzelf vertelde. Aan het einde van de film, kort voor zijn verhuizing naar Zuid-Frankrijk, werd Crumb gevraagd of hij zijn moeder en Charles niet erg zou missen. “Mij een zorg”, zei Crumb. Alleen met Maxon had hij medelijden. Maar die is dan ook - las ik ergens - een bedelaar in San Francisco geworden.

De roem was Zwigoffs film vooruitgesneld. Wat ik erover gelezen had, had me zeer nieuwsgierig gemaakt, ook omdat ik een bewonderaar ben van Crumbs werk. Toch viel de film, hoe interessant ook, me niet in alle opzichten mee. Er bleven nogal wat belangrijke vragen onbeantwoord. Het leek alsof de filmer het vanzelfsprekend vond dat de zoons van zulke vreemde ouders - pa een tirannieke ex-marinier, moeder een amfetaminen slikkende neuroot - volstrekte weirdo's waren geworden. Pa en ma geschift? Dan de kinderen natuurlijk óók. Maar ik vermoed dat het allemaal wat ingewikkelder is, en ik werd daarin gesterkt door de film over de kinderen van West, die op mij een normale indruk maakten en heel verstandig en afstandelijk over hun ouders bleken te kunnen praten.

Zwigoff ondernam geen nadere pogingen tot reconstructie van de jeugd van de Crumb-broers en hij liet de rol van de zusters onbesproken. Ook de ouders bleven schimmige figuren.

Verder bleef onduidelijk hoe een cynicus als Crumb tegenover zijn huidige gezinsleven staat. En wat bezielde hem precies om met zijn gezin naar Frankrijk te gaan? Uit andere publikaties weet ik dat vooral zijn vrouw daarop heeft aangedrongen.

Crumb heeft een interessante visie op Amerika die hij enkele jaren geleden in The Independent beter verwoordde dan in deze twee documentaires. “De situatie is zo instabiel en het racisme zit zo diep”, zei hij toen, “dat ik het somber inzie. De omstandigheden van de arme zwarten in de getto's worden steeds slechter (...) Er is zoveel kolkende haat en woede dat ze vandaag of morgen een leger zullen vormen. (...) Dan krijg je een vreselijk bloedbad, met duizenden doden, een tweede Beiroet.”