Robert Holl brult het verschrikkelijke besef uit dat alles vergeefs is

Concert: Robert Holl, bas-bariton; Ellen van Lier, sopraan; Rudolf Jansen, piano. Programma: Wolf: Italienisches Liederbuch, deel II; Pfitzner: Vijf Liederen, op. 9; Holl: Zes liederen. Gehoord: 11/12 Concertgebouw Amsterdam.

In de wereld van de liedkunst behoort bas-bariton Robert Holl tot de buitengewone verschijnselen. Zijn interpretaties van het veelal Duits-romantische repertoire hebben de intensiteit van een gloeiende lavastroom, waaruit geen ontsnapping meer mogelijk is. De luisteraar wordt genadeloos meegesleurd naar de verste uithoeken van het onderbewuste, daar waar de rauwe emoties regeren zonder dat de 'beschaafde' mens ze relativeren kan.

Luisteren naar Holl, wiens lichaam al zingende verkrampt onder de heftigheid van zijn muzikale expressiviteit, levert dan ook geen ontspannen vermaak op. Holl zingt niet 'mooi' en hij zingt zeker niet om te bekoren. Holl slingert met een door merg en been snijdende doorleefdheid de gruwelijkheden van het menselijk bestaan de zaal in. Hij brult het als het ware uit van de onvervulde verlangens, de ontembare hartstochten en het verschrikkelijke besef dat alles zinloos en voor niets is.

Daarentegen vertoont de sopraan Ellen van Lier, met wie Holl in het Amsterdamse Concertgebouw op indringende en ontroerende wijze Wolfs Italienisches Liederbuch, deel II en de Fünf Lieder, op. 9 van Pfitzner vertolkte, een lichtzinnige neiging naar het aardse, relativerende en humoristische. De zwarte Romantiek is voor haar niet veel meer dan een fantasiewereld om mee te koketteren, en dat doet van Lier op bevallige wijze. Holl en Van Lier verhouden zich als het genie tot het talent. Hoewel het soms veel aangenamer is om van de ongecompliceerde kwaliteiten van Van Liers mooie stem te genieten, weet Holl de luisteraar ruw wakker te schudden en in zijn ziel te raken.

Tussen beide extremen bespeelde Rudolf Jansen, zonder twijfel de beste liedbegeleider van Nederland, met een kameleontische souplesse en doeltreffende muzikale bescheidenheid de piano. Holls neiging om, welhaast als een dreigende dominee vanaf de kansel, het onheil te prediken waaraan uiteindelijk geen mens kan ontkomen, bleek ook bepalend voor de sombere uitstraling van de door hemzelf gecomponeerde liederen (1986-92).

Hoewel de demonische stemming van Holls liederen onmiskenbaar voortspruit uit de overgevoeligheden van een romantische ziel, klinkt de uitwerking daarvan verrassend modern en eigentijds. Drijvend op Skrjabin-achtige pianobegeleidingen volgt de stem in Holls liederen eigenzinnige melodische curven, die hooguit vage associaties wekken met componisten als Berg en Wolf, maar die volstrekt eigen zijn in hun traag verklankte wanhoop.