Markt milieutechnologie raakt verzadigd

Nederlandse bedrijven die zich specialiseren in milieutechnologie, krijgen steeds meer concurrentie. De thuismarkt raakt verzadigd; omzet en winstgroei zullen zich stabiliseren of zelfs verminderen. Voor de buitenlandse markt zijn de meeste Nederlandse bedrijven te klein. “Het is een kwestie van of breder en sterker worden of ten onder gaan in de internationalisering.”

Nooit meer stank dank zij ozon. Met een ozongenerator van Intensive Care uit Wierden kunnen organische verbindingen heel eenvoudig worden omgezet in kooldioxyde en water. Ideaal, zo zegt het bedrijf, voor kantines en andere gelegenheden waar een 'fris leefklimaat gewenst' is.

Cumulus Nederland pakt het weer anders aan: via een verstuiver worden enzymen in de lucht gespoten die iedere penetrante lucht verdrijven. Maar een absolute sensatie zijn toch wel de schimmels of zwamvlokken van het Amersfoortse milieutechnologiebedrijf DHV: die zijn dol op zogenoemde polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) en olie in baggerspecie. Na enkele maanden is de bagger goeddeels gereinigd en geschikt voor hergebruik.

Fungi Farming, want onder die naam is de methode door DHV geoctrooieerd, is een van de vele innovaties die vorige week werden getoond op de milieutechnologiebeurs Ecotech Europe 95 in de Jaarbeurs in Utrecht. Aan opvallende uitvindingen heeft het de milieumarkt - en zeker de Nederlandse - nooit ontbroken. Door een strenge wetgeving heeft Nederland op het gebied van de milieutechnologie zelfs een internationale voorsprong opgebouwd. Die tijd is voorbij. Er komt steeds meer concurrentie uit het buitenland. Vooral Amerikaanse bedrijven roeren zich op de markt. De thuismarkt begint bovendien verzadigd te raken; de omzet- en winstgroei van de milieubedrijven zal zich volgens het bureau Heliview Marketingservice de komende jaren stabiliseren.

Sommige sectoren zullen zelfs met omzetverlies rekening moeten houden. De meeste pijn zal gevoeld worden bij de milieu-adviesbedrijven. Hun omzet steeg van 1988 tot 1990 met vijftig procent tot ruim 155 miljoen gulden, maar vertoont sinds 1992 een sterk dalende tendens. Bij veel bedrijven staat het onderwerp milieu niet meer bovenaan de agenda omdat men al milieumaatregelen genomen heeft. Een groeiende minderheid (27 procent) verwacht zelfs dat de milieuwetgeving in de toekomst minder streng zal worden, zodat nieuwe maatregelen achterwege kunnen blijven.

Aanvankelijk werden de adviesbureaus ingeschakeld voor advisering op het gebied van bodemsanering, afval en geluidsbestrijding. Tegenwoordig wordt vooral advies ingewonnen over luchtzuivering. Groei zit volgens ir. A.M. Schakel van het ingenieursbureau Witteveen + Bos in 'integrale' advisering: energie, milieuzorg, bedrijfsmilieuplannen en milieu-effectrapportages.

De markt voor waterzuivering is volgens HeliView wel definitief over zijn hoogtepunt heen. Industriële bedrijven hebben het produktieproces zodanig aangepast dat het procesafvalwater niet meer gereinigd hoeft te worden. De investeringen in zuiveringsinstallaties nemen dan ook sterk af. De prijzen van de installaties komen daarnaast onder sterke druk te staan.

De verschuiving van wat in de milieubranche 'end-of-pipe'- oplossingen wordt genoemd naar procesaanpassingen doet zich ook voor in andere sectoren van de milieumarkt. Onder invloed van de Nederlandse Emissie Richtlijnen steeg de omzet in luchtzuiveringsapparatuur in de jaren 1992 en 1993 met ruim vijftig procent. De bestedingen in die periode bedroegen circa 750 miljoen gulden. Veel bedrijven hebben hun produktieproces inmiddels zo veranderd dat reiniging van de lucht niet meer nodig is.

De markt voor bodemonderzoek, advisering en sanering kent problemen van heel andere aard: gebrek aan opdrachten. In de afgelopen twee jaar is deze branche goed geweest voor een omzet van 85 miljoen gulden per jaar. Met name de saneringsmarkt heeft een aantal topjaren achter de rug. Inmiddels zit het bodemonderzoek in het slop. De markt voor oriënterende bodemonderzoeken stort naar verwachting volledig in elkaar. HeliView denkt dat de investeringen in deze sector zullen afnemen van 29 miljoen gulden tot 3,5 miljoen per jaar. Stafdirecteur Martin F.J. Kroezen van Heijmans Milieutechniek uit Rosmalen - het bedrijf reinigt jaarlijks ruim 120.000 ton grond in Nederland - bevestigt de neergaande tendens. “Gemeenten hebben het geld niet om alle verontreinigde grond te saneren.” Heijmans heeft dan ook voor een nieuwe aanpak gekozen: het bedrijf koopt de verontreinigde grond zelf op, reinigt de bodem, laat er woningen op bouwen en verkoopt de grond daarna weer. Kroezen: “We zijn behalve milieubedrijf dus ook projectontwikkelaar geworden.”

Ook de afvalverwerkers en bewerkers hebben met een slinkende markt te maken. Bij de behandeling van afval wordt het grootste deel van de opbrengst - bijna zestig procent - gehaald uit de exploitatie van stortterreinen en afvalverbrandingsinstallaties, de zogenoemde AVI's.

Het overige deel bestaat uit scheidingshallen en composteerinrichtingen. Door hergebruik neemt de stroom afvalstoffen de komende jaren af. Circa 39 procent van de bedrijven in Nederland doet aan intern hergebruik, in 1991 was dat nog 25 procent. Vanaf 1 januari wordt ook nog eens een stortverbod van kracht voor opnieuw te gebruiken en verbrandbaar afval. Dat afval moet dus verbrand worden. Stortterreinen zullen volgens de Vereniging van Afvalverwerkers hierdoor hun inkomsten zien dalen zonder dat daar een compensatie tegenover staat. De verbrandingsinstallaties (AVI's) kunnen dankzij deze maatregel de komende jaren in ieder geval 'vollast' draaien. Met de nog in aanbouw zijnde AVI's komt Nederland straks uit op een capaciteit van circa 4,9 megaton, minder dan het verwachte aanbod van 5,1 megaton. Het idee achter die krappe planning is dat de AVI's elkaar niet hoeven te beconcurreren. Er is immers voldoende aanbod. Maar niet iedereen is daarvan overtuigd. Ongeveer tachtig procent van de AVI-capaciteit wordt op dit moment benut voor huishoudelijk afval dat wordt aangeleverd door de inzamelende gemeenten. Dat aanbod zal de komende jaren afnemen tot circa zestig procent. Om de ovens toch op volle toeren te laten branden moet meer bedrijfsafval worden aangevoerd.

Dat is bij uitstek het terrein waarop particuliere afvalverwijderaars zich begeven. Die krijgen echter steeds vaker te maken met een overheid die alom aanwezig is. Provinciale en overheden en gemeentelijke diensten spelen een rol als regelgever, vergunningverlener, concurrent én opdrachtgever. De meeste verbrandingsinstallaties zijn nutsbedrijven waarvan de aandelen in handen zijn van rijk of provincie. Particuliere bedrijven ontbrak het tot nu toe aan middelen om voor 1 miljard gulden een verbrandingsinstallatie te laten bouwen. Maar daarmee is zo'n AVI wel een belangrijkste inkomstenbron voor de provincies geworden. De installatie zal, al was het alleen al in het kader van de regionale zelfvoorziening, geld moeten genereren. Daarom kon ook pas na maandenlang touwtrekken, felle discussies en moeizame onderhandelingen tussen de provincies overeenstemming worden bereikt over een verdeelsleutel die moet voorkomen dat de ene AVI te veel en de andere te weinig afval verbrandt. De installaties in de Randstad en Gelderland kampen ondanks het aanstaande stortverbod met een teveel aan capaciteit en kunnen niet 'vollast' draaien. Daarentegen zitten de regio's Zuid en Noord met meer afval dan zij kunnen verbranden. Door een deel van het overtollige afval over de regiogrenzen te verbranden, moeten de zuidelijke en noordelijke provincies hogere verbrandingstarieven betalen en lopen zij inkomsten mis.

Tekorten aanvullen uit Duitsland, waar de verwerkingskosten voor afval vele malen hoger zijn, of afval aanbieden aan goedkopere buitenlandse installaties is uitgesloten. De Nederlandse overheid staat dat niet toe, hoewel Europese richtlijnen dit wel aanmoedigen.

Vanuit de Vereniging Nederlandse Particuliere Bedrijven in Integrale Afvalverwijdering groeit het verzet tegen de rol van de lokale en provinciale overheden omdat, zo meent men, de mechanismen van vrije marktwerking op vele manieren worden gefrustreerd. Tekenend in dit verband waren de plannen van Arnhem en Rheden dit jaar om het ophalen van huisvuil exclusief over te dragen aan de geprivatiseerde reinigingsdienst ARA. Het particuliere afvalbedrijf BFI tekende hiertegen beroep aan en won omdat de voorgenomen overdracht in strijd was met de Europese regelgeving. “Als je de verwerkingsmarkt aan particuliere bedrijven zou overlaten zouden de kosten dalen”, meent adjunct-secretaris F.J. Nieman van de Vereniging van Nederlandse Particuliere bedrijven in Integrale Afvalverwijdering. “Lokale en provinciale overheden bestrijden dat, die zeggen dat de particuliere bedrijven de eerste jaren onder de kostprijs zullen duiken om vervolgens de tarieven te verhogen. Maar zo werkt het niet. Je gaat niet je eigen glazen ingooien.”

De kritiek op de rol van de overheid wordt sterker naarmate de markt voor milieudiensten krapper wordt en de marges minder hoog worden. De recycling-bedrijven zijn bijvoorbeeld al evenmin gelukkig met allerlei Nederlandse exportbelemmeringen. Veel Nederlandse en Duitse exporteurs zijn al uitgeweken naar Belgische havens.

De meeste technologiebedrijven denken hun marktaandeel in Nederland alleen nog maar door acquisities of allianties te kunnen vergroten. Internationale bedrijven als BFI schuimen de markt af om zwakkere of in ieder geval kleinere broeders en zusters over te nemen. Tauw Milieu, een bedrijf met een omzet van 80 miljoen gulden, is op zoek naar binnen- en buitenlandse partners. Het bedrijf heeft al vestigingen in Berlijn, Mannheim, Moers, Dijon en Antwerpen. Vanuit de Vereniging van Milieutechnologiebedrijven (VLM) wordt aangedrongen op samenwerking tussen adviesbureaus en leveranciers van apparatuur. Een afvalgigant als VAM, dat 1,2 miljard gulden investeert in projecten als gesloten compostering, verbranding en waterzuivering, zou een belangrijk deel van zijn kennis kunnen 'vermarkten', al dan niet met buitenlandse partners. Andere bedrijven zoals Ecotechniek uit Maarssen, dat eerder dit jaar tevergeefs toenadering zocht tot Leto Reclycling uit Almelo, probeert nieuwe markten aan te boren. Het bedrijf wil met vacuümpyrolese de markt op voor de verwerking van afvalstoffen die uit organische componenten bestaat, zoals autobanden en huishoudelijk afval, om daarmee het hergebruik van stoffen te bevorderen. Milieutechnologiebedrijven zijn verder nog niet echt betrokken bij het ontwikkelen van procesgeintegreerde technologie, maar ze zouden daarbij wel een belangrijke adviserende rol kunnen vervullen.

De milieubedrijven zelf vinden dat ze de buitenlandse markt op moeten. De omvang van de totale internationale milieumarkt bedroeg in 1992 210 miljard dollar. Nederland had daarin een bescheiden aandeel van 1,3 miljard. In de komende jaren zal de mondiale milieumarkt zich verdubbelen tot 370 miljard dollar, evenveel als de farmacie en de luchtvaartindustrie nu. Wil de Nederlandse milieumarkt van die groei profiteren dan zullen produkten en diensten beter op elkaar moeten worden afgestemd.

Inmiddels hebben vijfentwintig milieutechnologiebedrijven, waaronder Paques, Heidemij en Ballast Nedam, het platform Export Milieutechnologie opgericht. Dat wil het marktaandeel van de Nederlandse milieutechnologiebedrijven in het jaar 2000 verdubbelen en de concurrentiekracht van Nederlandse bedrijven vergroten. Nederlandse aanbieders kunnen volgens Ton Heddema, directeur van Heidemij Realisatie en voorzitter van het platform, vaak niet op tegen buitenlandse concurrenten omdat die alleen al vanwege hun omvang geintegreerde diensten kunnen aanbieden. Ze doen bijvoorbeeld ook aan financiering en exploitatie. Het Franse Générale des Eaux is zo'n bedrijf dat zowel ingenieurs als consultants in huis heeft. De Nederlandse markt is volgens Heddema te gefragmenteerd. Negentig procent van Nederlandse milieubedrijven is klein tot zeer klein en heeft niet de middelen om in het buitenland voet aan de grond te krijgen. Nederland redt het niet met uitstekende kennis en produkten met een goede prijs/kwaliteitsverhouding. “Het is een kwestie van of breder en sterker worden of ten onder gaan in de internationalisering”, zegt ir. H. Lever van het Nationaal Milieucentrum (NMC), dat leergangen voor het bedrijfsleven organiseert. En dus zal er moeten samengewerkt. Dat gebeurt nu ook al tussen Heidemij en Grontmij, die op de Nederlandse markt elkaars concurrenten zijn, maar daarbuiten partners in Euroconsult. Volgens een onderzoek van Arthur D. Little heeft Nederland een herkenbare voorsprong op een aantal gebieden, zoals biologische waterzuivering en stankbehandeling, ontzwaveling en recycling. Landen als Brazilië, India en Indonesië, waar weinig milieukennis aanwezig is en de industrie zich stormachtig ontwikkelt, kunnen die technologie goed gebruiken. Maar Arthur D. Little heeft ook kritiek op de Nederlandse milieubranche: er wordt niet voldoende 'klantgericht' gewerkt en te weinig toegevoegde waarde geleverd. Voorzitter Th. Brouwer van de Vereniging van Leveranciers van Milieu-apparatuur en technologie (VLM) erkent dat Nederlandse milieubedrijven geen 'fantastische relatiebeheerders' zijn. Soms wordt uit het oog verloren dat bepaalde technieken voor sommige toepassingen te geavanceerd zijn. Een rookgasreiniger in Polen dient aan andere eisen te voldoen dan reinigingsapparatuur in een Nederlandse centrale. “Veel kopers zijn meer geinteresseerd in oplossingen dan in technieken”, zegt ir. Lever van NMC.

Minister Wijers van Economische zaken draagt de mileubranche in ieder geval een warm hart toe. Voor projecten met een hoog marktpotentieel en een hoog milieurendement stelt het kabinet jaarlijks 45 miljoen gulden beschikbaar. Aan ambitieuze plannen is in ieder geval geen gebrek. DHV Milieutechnologie maakt zich sterk voor een pneumatisch inzamelsysteem van ondergrondse buisleidingen. Burgers en bedrijven zouden hun papier, het groente en tuinafval in daarvoor bestemde inwerpbuizen in hun directe woonomgeving kunnen deponeren. Die worden afgezogen naar een centraal inzamelstation, verzameld in containers en afgevoerd.

Wereldwijd zijn de afgelopen jaar tientallen van dergelijke installaties in gebruik genomen, met name in Scandinavië en Zuidoost Azië. Het systeem is niet goedkoop, maar inzameling via conventionele methoden is dat ook niet. Een buizensysteem gaat in elk geval dertig tot vijftig jaar mee, legt minimaal beslag op woon- en werkomgeving en is 24 uur per dag beschikbaar.

Een ander ambitieus plan is het Megastratem: een groep van acht grote piramiden waarin alle nu niet te herverwerken reststoffen van Nederland in een enorm magazijn worden opgeslagen. Zodra er een oplossing voor een stof wordt gevonden kan die makkelijk uit het reuzenmagazijn worden gehaald. Zo'n monumentaal bouwwerk - kosten: 50 miljard gulden - zou volgens DHV niet alleen een zegen zijn voor het milieu, maar net als de Deltawerken ook het toerisme kunnen bevorderen.