Mardan leefde als een koning

De vijftienjarige Mardan, afkomstig uit Irak, is een vrolijke jongen die er, licht stotterend, lustig op los praat. Het stotteren lijkt hem zelf niet in het minst te hinderen, en mij, als leraar, door Mardan hakkelend geprovoceerd, hindert het evenmin. Wie zou zo'n jongen die zozeer de behoefte heeft zich te laten gelden, maar daarvoor voortdurend strijd met zichzelf moet leveren, iets kwalijk kunnen nemen?

Dus krijgt Mardan van mij meer ruimte dan andere leerlingen, terwijl hij toch al zo veel meer neemt. Vandaag krijgt hij zelfs een heel uur. Ik geloof dat het was naar aanleiding van geruchten in de krant, een poosje geleden, als zou Saddams positie verzwakt zijn, dat Mardan opmerkte: “Als wij vandaag zouden horen dat Saddam er niet meer is, zouden wij vandaag teruggaan naar Irak, of anders morgenochtend.”

Ruim drie jaar nu woont de jongen in Nederland en ik weet dat ook hij, als zoveel leerlingen hier op school, goed beseft dat hij hier 'een buitenlander' is - dat wil zeggen iemand die door Nederlanders gezien wordt als een tweederangs burger. In Irak was hij, zo blijkt nu, anders gewend.

“Wij leefden daar als koningen! Mijn vader was burgemeester van de stad en van zeven steden om onze stad heen. Wij hadden meer dan drie auto's, vier huizen, eigen grond en eigen fruit en groente.”

Ik glimlach, wat Mardan niet leuk vindt: “U gelooft mij niet? Het is echte waar!”

“Ik geloof je wel. Waarom zijn jullie precies gevlucht?”

“Wij zijn Koerden...”

“Niet alle Koerden zijn gevlucht...”

“Ze wilden mijn vader vermoorden. Hij heeft na de Golfoorlog gevochten tegen Saddam.”

Niet iedereen luistert naar wat Mardan mij vertelt, en dat hoeft ook niet. Van hun kant vinden de leerlingen het allang best dat Mardan mij aan de praat houdt - of beter, dat ik Mardan aan de praat houd, want nu hij eenmaal begonnen is zijn verhaal te vertellen, wil ik het tot het eind toe horen ook. Ik zit op mijn lessenaar, Mardan op de bank voor mij, en om ons zitten drie, vier leerlingen die ook geboeid luisteren. De rest vermaakt zichzelf, zonder veel lawaai te maken - anders, immers, zou deze 'pauze' wel eens snel afgelopen kunnen zijn.

“Op de dag dat ze mijn vader wilden vermoorden,” vertelt Mardan, “en ze gingen zoeken in ons huis in Kirkuk, waren wij in ons huis in Suleimaniya. Maar twee ooms van mij en mijn oma waren wel daar. Ze hebben meteen mijn ooms gepakt en als borg meegenomen. Mijn oma belde ons meteen en zei dat wij moesten vluchten.”

Het gezin is, aldus Mardan, 'op de rug van ezels' door de bergen van Koerdistan getrokken, 'terwijl helikopters ons zochten'. Op tijd bereikten ze de grens met Turkije. In een hotel in Istanbul legden ze contact met een man die 'voor heel veel geld' voor valse paspoorten zorgde en het gezin via Bulgarije, Roemenië, Hongarije, Tjechië, Slowakije en Duitsland naar Nederland reed.

“Ze wilden jouw vader vermoorden, zei je, omdat hij gevochten heeft tegen Saddam? Waneer was dat?”

“In het begin van maart 1991.” Ik herinner me de Koerdische opstand van vlak na de Golfoorlog. Mardan: “Saddam was niet meer sterk, wij konden ons land terugpakken. Mijn vader had met de geheime spionnen van de Koerden al een plan gemaakt hoe de Koerden binnen de stad zullen komen, maar dat had hij toen aan ons niet verteld.”

Op 6 maart 1991 - Mardan herinnert het zich nog goed - trok hij met vriendjes de stad in 'om te horen of de verhalen die nu verteld werden goed waren' - verhalen over een op handen zijnde opstand. Het centrum van de stad, anders altijd vol mensen en auto's, was nu leeg en doods; de weinige mensen die hij zag, waren bezig te hamsteren.

“Waarom kopen jullie zoveel eten?”, vroeg Mardan aan iemand. Of hij dan niet wist wat er stond te gebeuren. Morgen zou de dag aanbreken waarop ze vijfentwintig jaar hadden gewacht, morgen zouden de Koerden de stad binnenvallen en werd het oorlog - een oorlog die weken zou kunnen duren.

Weer thuis, hoorde hij dat zijn vader vertrokken was om te vechten. Hij had voor de elfjarige Mardan een brief en een revolver achtergelaten. “Beste zoon Mardan,” begon die brief, waarin verder stond dat hij weg was gegaan om voor de vrijheid van de Koerden te vechten en dat het hem speet dat hij zijn zoon daar niets over verteld had. De revolver die hij achtergelaten had, was nu van Mardan, de enig overgebleven man in huis; de levens van zijn moeder en vijf zussen waren nu zíjn verantwoordelijkheid. Vader besloot zijn brief met de mededeling dat hij zijn zoon 'na de bevrijding of misschien nooit meer' zou terugzien, en dat de Koerden de stad op 7 maart zouden binnenvallen.

Terwijl ik Mardan aanhoor, vraag ik me af of hij dit alles, van die brief en dat wapen, ter plekke verzint. Soms lachen de drie, vier leerlingen om ons heen om de manier waarop hij formuleert, maar nooit, heb ik de indruk, om wat hij feitelijk zegt.

“En toen?”

“Op 7 juli precies om vijf uur 's ochtends begonnen geluiden van kogels. Toen wist ik dat mijn vader gelijk had.”

Volgens Mardan vochten niet alleen de vrijheidsstrijders; alle mensen in de stad vochten mee, ook hijzelf. Na zeven dagen was de stad bevrijd en zag Mardan zijn vader weer, die gewond was. Niet veel later, zo weet ook ik, bleek Saddam toch sterker dan verwacht en keerde het tij.

“Dat is een mooi verhaal Mardan,” zeg ik, vlak voor het einde van het uur. Ik glimlach, terugdenkend aan de manier waarop hij het verteld heeft. Opnieuw denkt Mardan dat ik hem niet helemaal geloof en zegt, nors: “Ik heb in deze verhaal niets te veel gezegd.”