Laten we 'globalisering' voorlopig maar vergeten

Ondernemers en politici hebben de mond vol van globalisering, maar wat betekent dat nu eigenlijk? Volgens Winfried Ruigrok en Rob van Tulder is de 'grenzeloze' wereld nog ver weg - ook voor ondernemers.

De afgelopen jaren is in Nederland op diverse fronten een discussie gevoerd over de 'globalisering' van de economieën de gevolgen daarvan voor bedrijven en de overheid. Ter voorbereiding op zijn nationale debat in 1994 noemde de toenmalige minister van economische zaken, Andriessen, globalisering “een zekere trend”. Maar wat betekent globalisering eigenlijk? En hoe zeker is het dat grote bedrijven vandaag de dag aan het 'globaliseren' of 'geglobaliseerd' zijn?

Amerikaanse auteurs en bedrijven dichten aan het globaliseringsproces vaak het ontstaan toe van een wereldmarkt. Dit is een oude droom van veel Amerikaanse bedrijven en politici. Ondersteund door een stelsel van vrijhandel moet deze verenigde wereldmarkt bedrijven in staat stellen grootschalig en tegen lage kosten te produceren. Deze visie bouwt voort op een internationalistische traditie in de Verenigde Staten die teruggaat tot de presidenten Roosevelt (oprichting van de Verenigde Naties) en Wilson (Volkerenbond).

Japanse auteurs en bedrijven benadrukken in de eerste plaats de vestiging van faciliteiten in Noord-Amerika, de Europese Unie en Zuidoost-Azie. Veel Japanse producenten danken hun sterke positie mede aan een nauwe interactie met lokale toeleveranciers. Zij worstelen derhalve met de vraag: hoe kunnen deze structuren zo ongeschonden mogelijk in het buitenland worden overgeplant, en hoe kan dit proces gepaard gaan met zo min mogelijk binnenlandse strubbelingen?

Europese auteurs en bedrijven ten slotte betrekken het globaliseringsbegrip met name op hun eigen regio. Integratie- en handelstheorieën suggereren dat hetvoortgaande Europese integratietraject leidt tot efficiëntie- en welvaartsvoordelen. Politici en'Eurocraten' hebben echter de handen meer dan vol aan het management van dit proces. Voor veel bedrijven betekent Europese integratie in de eerste plaats scherpere concurrentie en 'harder knokken voor dezelfde winst'. Zo kunnen veel mensen in uiteenlopende regio's en omstandigheden met de term globalisering uit de voeten. Het is een buzz word geworden: iedereen gebruikt het omdat iedereen het gebruikt - alleen bedoelen we er allemaal iets anders mee.

Hoe ver is de internationalisering - laten we dat woord voor het moment liever gebruiken - thans werkelijk voortgeschreden? Recentelijk hebben wij de internationalisering van de honderd grootste ondernemingen in de wereld in 1993 op een rijtje gezet. Hieruit kwam onder meer naar voren dat de 'globale' (in de zin van wereldwijd georganiseerde) onderneming nog een ver verwijderd visioen is. Slechts veertig van deze honderd bedrijven realiseerden ten minste de helft van hun verkoop in het buitenland. Minder dan twintig bedrijven hadden de helft of meer van hun produktiefaciliteiten (gemeten in het aantal werknemers en de waarde van de activa) in het buitenland. Andere activiteiten, zoals onderzoek en ontwikkeling, de verwerving van bedrijfskapitaal en de samenstelling van de raden van bestuur zijn vrijwel zonder uitzondering nog hecht verankerd in de thuiseconomie van de betrokken onderneming.

Ten onrechte wordt vaak de indruk gewekt dat ondernemingen in hun internationaliseringsproces beschikken over eengroot aantal vrijheidsgraden. Ook grote bedrijven onderhouden nauwe contacten met hun omgeving (lokale toeleveranciers, overheden, werknemers en know how), en op het afbreken van deze banden staat een prijs. De meeste grote bedrijven kunnen beter worden gekarakteriseerd als nationale actoren met substantiële internationale activiteiten. Zij zijn vaak in een internationaliseringsproces verwikkeld, maar hun expansiericht zich onder invloed van de Noordamerikaanse overeenkomst voor vrijhandel (NAFTA) en de Europese Unie vooral op de eigen wereldregio en minder op de 'globe'.

In veel gevallen is internationalisering bovendien geen eenrichtingsverkeer. De meeste bedrijven gaan gelukkig niet over één nacht ijs. Eerder kan gesproken worden van een constant proces van verkenning, tijdelijke vestiging, gevolgd door meer definitieve vestiging of terugtrekking, als de omstandigheden hiertoe nopen. Zo is General Motors sinds 1990 niet langer genoteerd aan de beurs in Tokio, en besloot Unilever onlangs het 'wereldijsje' Magnum niet meer in Noorwegen te verkopen. Circa eenderde van de grootste ondernemingen verminderde in het begin van de jaren negentig het aandeel van zijn buitenlandse activa.

Grote bedrijven uit kleine landen, in het bijzonder uit Zwitserland, Zweden en Nederland, lopen duidelijk voorop in het internationaliseringsproces. Ze doen dit overigens al vele decennia. Het is om deze reden volkomen begrijpelijk dat de globaliseringsdiscusie in Nederland zo expliciet wordt gevoerd. Voor Nederlandse bedrijven als Philips, Unilever en Shell, voor de transportwereld, maar ook voor het midden- en kleinbedrijf, is het van groot belang om snel wijs te worden uit de wirwar van vaak tegenstrijdige tendenzen in de wereldeconomie.

De discussie is echter niet gediend met de suggestie dat grote ondernemingen thans volledig 'grenzeloos' zijn geworden. De nieuwe voorzitter van de raad van bestuur van Philips (Boonstra, opvolger van Timmer) wordt volgend jaar 'gewoon weer' een Nederlander, ook al is Philips een zeer internationale onderneming. In perioden van relatieve internationale turbulentie zijn wij soms geneigd de discontinuïteiten met het verleden te overschatten - de werkelijkheid lijkt immers zoveel complexer en minder stuurbaar geworden.

Dit zijn vruchtbare tijden voor nieuwe concepten die scherpe breuken met het verleden suggereren. De naoorlogse economische geschiedenis kan worden gezien als een constante wedloop tussen overheden die handelsbelemmeringen introduceren (in de regel op aandringen en ter bescherming van lokale bedrijven en werkgelegenheid) en buitenlandse ondernemingen die deze belemmeringen trachten te omzeilen. De recente internationalisering van veel bedrijven, zoals de vestiging van Japanse bedrijven in Europa en Noord-Amerika, past geheel in dit patroon.

Een tweede dominant motief in de naoorlogse patronen van internationalisering is de binnenlandse arena te ontvluchten. Dit gold bijvoorbeeld voor Amerikaanse bedrijven in de jaren zestig en voor Europese bedrijven inde jaren zeventig (de toenmalige gang naar de 'lage-lonen-landen'). Dit motief is ook thans aanwezig, ofschoon in een iets gewijzigde vorm. De 'vluchtoptie' is minder aantrekkelijk geworden voor veel bedrijven; contact met belangrijke markten is vaak essentieel om snel te kunnen inspringen op veranderende vraagpatronen. De Europese Unie biedt echter de mogelijkheid nationale grenzen binnen het Europese handelsblok te overschrijden. Daarmee is de mogelijkheid voor ondernemingen toegenomen om op werknemers, overheden en toeleveranciers een nadrukkelijker beroep te doen een stapje harder te lopen en de kosten laag te houden. In management-termen: de globaliseringsthese is behulpzaam bij de mobilisatie van externe resources.

Overigens werkt de globaliseringsthese ook - binnen grote bedrijven - mobiliserend. Drie Amerikaanse wetenschappers wezen er enige tijd geleden op dat, in de ogen van de corporate manager (dat wil zeggen de manager in het hoofdkwartier), 'globale' strategieën nopen tot strakke controle - de globaliseringsthese als verdediging tegen vergaande decentralisatie.

Het begrip globalisering is aldus omgeven met mythen, misverstanden, en lijkt mede een set aan onderhandelingsdoelen te dienen. De meeste waarnemers die de term gebruiken verwijzen in de eerste plaats naar Noord-Amerika, Europa en/of Japan. Hoewel dit bij verre de belangrijkste economische machten zijn, woont hier slechts vijftien procent van de wereldbevolking.

Het beste is de term 'globalisering' voorlopig te vergeten: hij is verwarrend, zelfs misleidend. Laten we afspreken de term pas weer te gebruiken als de economieën in Afrika en Zuid-Azië substantieel meedelen in de lusten, en niet alleen de lasten, van de gecumuleerde welvaart in de wereld.