Kussen

In het café een jongeman en een jonge blonde vrouw die aan een van de tafeltjes gaan zitten, niet dan nadat zij mantel en jas hebben uitgedaan en elkaar, nog staande, omstandig en hartstochtelijk hebben gekust.

Deze amoureuze begroeting, waarvan het lijkt alsof zij elkaar pas sinds kort hebben leren kennen of heel lang niet hebben gezien, brengt mij een afspraakje met een eveneens jeugdige blondine in herinnering, lang geleden, in de latere jaren veertig, toen ook ik nog aanspraak op de omschrijving jongeman kon maken. Wij hadden elkaar nog slechts enkele malen ontmoet en de eerste tastende vertrouwelijkheden uitgewisseld, maar elkaar nog niet aangeraakt anders dan met een handdruk wanneer wij elkaar zagen of afscheid namen. (De twee- of drievoudige begroetingskus, zoals die tegenwoordig in zwang is en onze omgangsmanieren ogenschijnlijk hebben verinnigd, sluimerde nog in het verre verschiet.) Ook ik nam mijn aankomende vriendin, in die hypnotische fase van onze kennismaking, mee naar een café, het eerste dat wij zagen en waartoe wij, uit het gewoel van de stad, onze toevlucht namen. Het café bevond zich aan de Heiligeweg en bestaat allang niet meer. Wij gingen naar binnen, namen plaats aan een tafeltje en vielen, elkaar kussend, op elkaar aan, hongerend en dorstend naar elkaars lichaam en ziel, in de onstuitbare erotische communie die zoveel weg heeft van de religieuze en er tegelijk zozeer van verschilt als het stoffelijke van het louter denkbeeldige.

Door onze eerste stuwende kussen en door elkaars driftige nabijheid waren wij zozeer in elkaar of in onszelf verzonken (liefde of erotiek maken pas werkelijk eenzaam) dat wij niet het flauwste besef hadden van wat er in onze naaste omgeving gebeurde. Enkele ogenblikken, het verloop van enkele tientallen razende hartslagen, hield de wereld voor ons op te bestaan. Plotseling werden wij ruw uit onze betovering gerukt door de kelner die bij ons tafeltje was komen staan en ons op barse toon toevoegde: “Zeg, dat kunnen we hier niet hebben!” Ontsteld, uit het veld geslagen lieten wij elkaar los. Mijn vriendin, voorzover ik daarvan al mocht spreken, werd vuurrood van schaamte en vernedering, en ook ik voelde mij botweg tot de orde geroepen door de eerste de beste vlegel in een armzalig kelnersuniform. We stonden op en verlieten het etablissement. Ik probeerde het meisje te troosten, maar ik kon geen woorden vinden, en de minste aanraking, hoe goed bedoeld ook, deed haar huiveren, gruwen. Zij was te zeer gekwetst, te zeer in zichzelf verstoten. Ontzind dwaalden wij door de stad, als door een nare droom, zonder te weten wat wij deden en waarheen wij gingen.

Nu ik op deze dag, in dit jaar, opsta en afreken, kijk ik nog even naar de jongeman en zijn gezellin. Zij zitten tegenover elkaar aan hun tafeltje en hebben een gemeenschappelijke schotel besteld die tussen hen in staat en waarvan beiden eten, vork voor vork, een glas wijn aan elke kant.