Getto's voorkom je niet met woningen, maar met werk

Het recente rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau over 'minderheden' heeft veel stof doen opwaaien. In de grote steden zijn wijken te vinden waar vooral allochtonen wonen, aldus het SCP, en waar veel risico-factoren aanwezig zijn voor het ontstaan van getto's.

De meningen zijn verdeeld: sommigen zien levensgrote problemen opdoemen, anderen in het geheel niet. Van staatssecretaris Tommel wordt, ook in deze krant, gevraagd het gevaar van getto-vorming af te wenden met ingrepen in de volkshuisvesting (6 december).

Is dat verstandig?

Hoewel het woord 'getto' oorspronkelijk betrekking had op de joodse wijken van Europese steden, fungeert het nu als een Amerikaans angstbeeld. Daar gaat om zwarte burgers, die vrijwel de hele bevolking van bepaalde buurten uitmaken. Het grootste probleem is dat anderen niet in zo'n buurt willen wonen èn dat het wonen in het getto op zichzelf al een grote barrière vormt om adekwaat in de samenleving te participeren, met name op het terrein van onderwijs en arbeid. Het getto werkt als het ware als gevangenis voor het leven.

Voor andere bevolkingscategorieën in de Verenigde Staten gaat dit beeld niet op: soms zijn hun buurt en hun woning kwalitatief ook niet goed, maar blijken zij in de loop van de tijd carrière te maken op de arbeids- en de woningmarkt. Het probleem van het getto geldt dus specifiek voor de zwarte bevolking. Wat kunnen we nu, met dit als perspectief, over de Nederlandse situatie zeggen?

Ten eerste. Nederland kent inmiddels een flink aandeel bewoners van buitenlandse komaf, maar de zwarte bevolking maakt daar geen groot deel van uit. Voor zover aanwezig is dit deel van de allochtone bevolking vooral afkomstig uit Suriname. De Surinaamse bevolking is niet de grootste probleemcategorie onder de minderheden. Ze bevindt zich sociaal-economisch gezien niet uitsluitend aan de onderkant, maar is gemengd en vergeleken met andere categorieën minderheden goed geïntregreerd in de Nederlandse samenleving.

Ten tweede. Het beeld van het getto als gevangenis gaat voor de Nederlandse situatie niet op. De spreiding van de allochtone bevolking in de Nederlandse steden laat over de afgelopen twintig jaar een aanzienlijke dynamiek zien, die een zekere carrière op de woningmarkt verraadt. Woonde men in de jaren zeventig nog geconcentreerd in de centrale stadsdelen - veelal in pensions - , in de jaren negentig wonen de minderheden veel meer aan de stadsranden, en in gezinswoningen.

Ten derde. De segregatie in de Nederlandse steden (de mate waarin de bevolking van een bepaalde etnische categorie daar op één klont woont) neemt niet toe. Uit onderzoek blijkt bovendien dat de diverse minderheden onderling gemengd wonen. Het is bijvoorbeeld niet zo, dat de Turken bij andere Turken wonen en Marokkanen bij Marokkanen. Op het niveau van woonbuurten is de vermenging juist vrij sterk. Ook dit aspect past niet in het beeld van het Amerikaanse getto.

Ten vierde. De betekenis van ingrepen op de woningmarkt ter correctie van de getto-problematiek is twijfelachtig. In zijn huidige plannen wil staatssecretaris Tommel (D66) al vrij ver gaan met het in sociaal-economisch opzicht heterogeen maken van woonbuurten, door de woningvoorraad diverser te maken. De waarde van een woning wordt echter mede bepaald door de omgeving van die woning; makelaars kunnen daar alles over vertellen. Een duurdere woning in een slechte woonbuurt verliest daardoor veel van zijn aantrekkelijkheid; een koper zal zich twee keer bedenken en waarschijnlijk alleen toehappen als de prijs flink daalt. Met een goedkope woning in een dure buurt gebeurt het omgekeerde: het is een lot uit de loterij, waar je als huurder met geen stok uit weg te krijgen bent.

Ter toelichting: in de townships van Zuid-Afrika woonde in de tijd van de apartheid ook de, weliswaar kleine, zwarte bovenlaag; in veel mooiere woningen dan de zeer arme rest van de zwarte bevolking. Na het einde van de apartheid blijkt deze zwarte bovenlaag graag te willen verhuizen naar andere, betere, woonbuurten. Hun woning blijkt echter onverkoopbaar: niemand met enig geld gaat vrijwillig in een township wonen en mensen zonder geld kunnen niets voor hun woning bieden.

Van de andere situatie kennen we voorbeelden uit Nederland: sociale huurwoningen op een goede locatie en in een goede buurt kennen geen doorstroming. De huurders, die bij de woningtoewijzing nog tot de doelgroep van het volkshuisvestingsbeleid behoorden, mogen daar in veel gevallen door hun carrière op de arbeidsmarkt allang niet meer toe worden gerekend. Het risico is groot dat de versterkte marktwerking in de volkshuisvesting verstorend werkt op de niet-marktconforme ingrepen die Tommel nu al voorstelt. Een verdere uitbreiding van dergelijke ingrepen - en daar lijkt de Tweede Kamer op uit - zal dit probleem versterken.

Ten vijfde. Het grootste probleem van het getto ligt niet op het terrein van de volkshuisvesting, maar op het gebied van deelname aan onderwijs en arbeid. Het lijkt dan ook niet logisch om volkshuisvesting tot speerpunt van een anti-getto-beleid in Nederland te maken. Veeleer moet gedacht worden aan maatregelen op het terrein van onderwijs- en arbeidsmarktparticipatie.

Ten zesde. Met dit alles proberen wij niet uit te dragen dat er in Nederland geen enkel probleem is of ooit zal komen. Integendeel, in sommige opzichten is de situatie zorgelijk, met name waar het gaat om deelname van categorieën minderheden aan onderwijs en arbeidsmarkt. Wanneer deze zorg verbonden wordt met de angst voor getto's en getto-effecten dan luidt de juiste vraag in hoeverre segregatie (van allochtonen, maar ook van autochtonen) onderwijs- en arbeidsparticipatie belemmert. Vastgesteld moet worden, dat dit inzicht vooralsnog ontbreekt. Ter fundering van een goed grote-steden-beleid is een dergelijk inzicht echter onmisbaar.