Eigen middelen

DE EUROPESE UNIE beschikt over 'eigen middelen'. Dat zijn de afdrachten die de lidstaten aan Brussel verstrekken en waarmee het Europese beleid van steun aan zwakke regio's wordt gefinancierd. Deze week buigt de Tweede Kamer zich over de herziening van het Eigen-middelenbesluit, zoals dat in december 1992 is vastgelegd door de Europese raad van regeringsleiders in Edinburgh.

Het is een Europese kwestie met een vervelende nationale politieke bijsmaak, want de besluiten van 'Edinburgh' zijn voor Nederland op financieel gebied niet gunstig geweest. Maar de Kamer kan eigenlijk geen kant op: verwerping van het Eigen-middelenbesluit zal slechts in theorie gevolgen hebben voor de Europese financiën, want aangezien alle andere landen dit besluit inmiddels geratificeerd hebben, zou Nederland volkomen geïsoleerd komen te staan. Het zou vooral een gebaar van afkeuring zijn van het Europese beleid van het vorige kabinet.

DE BESLUITEN VAN Edinburgh waarvan Nederland nu de wrange financiële vruchten plukt, werden genomen onder de politieke verantwoordelijkheid van premier Lubbers, minister van financiën Kok (deels in telefonisch contact vanaf een partijbijeenkomst in Nederland) en het buitenland-duo Van den Broek (aan de vooravond van zijn benoeming tot Europees commissaris) en staatssecretaris Dankert. Zij waren, tot wanhoop overigens van hun ambtelijke adviseurs, bereid tot verregaande toegevendheid in het belang van de Europese solidariteit en namen de bezwaren op de koop toe omwille van de eenheid. Nu kijkt Nederland aan tegen een netto-afdracht aan de Europese Unie (het verschil tussen wat Nederland aan Brussel betaalt en wat het ontvangt) die oploopt tot zes miljard gulden in het jaar 1999. Nederland, tot begin jaren negentig dankzij de toenmalige landbouwsubsidies een netto-ontvanger, is straks de grootste netto-betaler aan de EU.

In snel tempo begint de onverschilligheid ten aanzien van wat de Europese Unie Nederland mag kosten in Den Haag te verdwijnen. Met uitzondering van het ministerie van buitenlandse zaken, waar praten over geld traditioneel 'niet chic' wordt gevonden en als een hinderlijke verstoring van de Europese idealen wordt beschouwd, is het klimaat veel zakelijker geworden. De gezamenlijke nota van de ministers Zalm en Van Mierlo en staatssecretaris Patijn over de Nederlandse betalingspositie is daarvan een verfrissend voorbeeld.

PARLEMENTAIRE VERWERPING van het Eigen-middelenbesluit zou Europese politieke kamikaze zijn, maar een stevige publieke waarschuwing van de Kamer aan de overige lidstaten is op zijn plaats. Tegen de aanhoudende druk om meer geld voor de zuidelijke lidstaten, de mediterrane landen en Oost-Europa moeten netto-betalers zoals Nederland, maar ook Duitsland, Zweden en Groot-Brittannië zich krachtig verweren. De inspanningen van minister Zalm om gelijkgestemde netto-betalers op één lijn te krijgen kunnen tegen de tijd dat het volgende Eigen-middelenbesluit aan de orde komt, in 1998-99, tot resultaten leiden waarmee de fouten van 1992 worden rechtgezet. In de komende jaren kan het Nederlandse beleid zich het beste richten op beperking van de Europese uitgaven, dan vallen de nationale afdrachten ook mee. De Kamer weet zich voor de toekomst gewaarschuwd.