De postmoderne antithese

Geleidelijk ontwikkelen zich in onze politiek twee praktische filosofen: praktisch omdat ze zich van dag tot dag met de politiek 'op de werkvloer' bezighouden, en filosoof omdat ze nadenken over de theoretische grondslagen van hun doen en laten, zich een beeld vormen van de toekomst op langere termijn en daarbij hun best doen, met dit alles het publiek, de kiezers te bereiken. De heren Frits Bolkestein en Wim Kok. Voornamen horen er nu eenmaal bij. De kiezers mogen van geluk spreken: ze hebben een duidelijke keuze.

Bolkestein, zijn openbare loopbaan begonnen als redacteur van Propria Cures, na een lang verblijf bij de Shell in vele buitenlanden staatssecretaris, vervolgens overwinnaar in de machtsstrijd bij de liberalen en tenslotte de facto de leider van de parlementaire oppositie en af en toe woordvoerder van de zwijgende meerderheid. Een man die, hoewel gedoodverfd als 'intellectueel', er niet voor terugschrikt de vraagstukken tot hun eenvoudigste definitie terug te brengen.

Kok, na Nijenrode via de vakbeweging naar de top van zijn partij gestegen, vervolgens minister van financiën geworden en nu de onbetwiste leider van het 'paarse' kabinet, een omwenteling naar Nederlandse maatstaven. Bolkestein, een nationalistisch liberaal met cosmopolitische trekken; Kok, voortgekomen uit een internationale ideologie, opgeklommen in een zeer vaderlandse omgeving. Bij al die verschillen hebben ze één eigenschap gemeen: ze zijn vertegenwoordigers van hun eigen midden, wars van experimenten, met het politieke instinct voor wat hun midden wil en tot welke limiet het bereid is zich te laten leiden. Daarom zijn beide politici leiders van grote partijen.

Uit deze kenschets vloeit voort dat er eigenlijk twee middens in de Nederlandse politiek zijn, die elkaar natuurlijk voor een deel overlappen. Bolkestein, die over het algemeen guller is met het prijsgeven van zijn inzichten, richt zich op zijn zeer persoonlijke manier tot dat deel van het midden dat zijn verwachtingen aangetast ziet - paradoxaal - aan de ene kant door de lasten van de staat en aan de andere kant door zijn tekortkomingen. De staat vraagt te veel en levert te weinig: te hoge belastingen, te weinig veiligheid, om een simpel voorbeeld uit het complex te noemen. Bij het brengen van deze boodschap heeft hij het betrekkelijk gemakkelijk, omdat de VVD langzamerhand werkelijk tot een partij van het midden is geworden, dat wil zeggen niet meer wordt gehinderd door rabiaat rechtse clubjes, want die hebben zich verzelfstandigd.

Kok heeft meer problemen. Dat blijkt uit de J.M. den Uyl-rede die hij maandag heeft gehouden en waarvan uitvoerige fragmenten in deze krant van gisteren zijn afgedrukt. Een mooie rede, dat om te beginnen, waarin een over het algemeen geslaagde poging is gedaan om een samenhang te formuleren tussen de concrete vraagstukken van de dag, een visie op lange termijn en een politieke filosofie die de normen voor de best denkbare oplossingen moet geven. Mij dunkt niet voor bewijsbare tegenspraak vatbaar, ziet Kok de verzorgingsstaat (met al zijn tekortkomingen, dat is het verplichte voorbehoud) als een hoogtepunt van politieke beschaving.

Binnen het staketsel van deze staat ontwikkelt Nederland zich tot stad. Het kraakt en wringt, niet alleen doordat in deze toenemende opgepaktheid natuurlijk allerlei belangen harder botsen. Een oud besef van solidariteit en de discipline die het gemeenschapsgevoel voorschrijft, zijn verzwakt. Het vertrouwen in de berekenbaarheid van de toekomst, ideologie en utopie zijn verloren gegaan. Dan komt het bekende vraagstuk: hoe wordt de burger weer nauwer bij de publieke zaak betrokken? Dat kan alleen door hem duidelijk te maken, concreet en van dag tot dag, dat zonder een zorgvuldig in stand houden van de publieke sector de maatschappij zichzelf in 'individualisering' atomiseert, en in haar hart door chaos wordt aangetast. Zo zegt Kok het niet; zo vat ik het samen. Het is een bezorgde, een zorgzame maar geen pessimistische rede.

Of daarmee afscheid van het socialisme wordt genomen? Dat proces is al tientallen jaren aan de gang. Jacques de Kadt heeft al het midden aangewezen als het terrein waar de progressieve politiek de voornaamste slag moet leveren; J.M. den Uyl heeft het met zijn formule van de smalle marges theoretisch afgebakend zonder zich er overigens in zijn praktijk altijd aan te houden. Als de progressieve politiek van het midden zich inlaat met allerlei radicalisme, actiepartij wordt, arbeideristisch spreekt, belast men zich daar met een hypotheek die weldra de toon gaat zetten en over de hele huishouding wil beslissen. Daardoor raakt het midden vervreemd en de partij als grote organisatie verloren. Zonder het midden gaat het niet. Dat Kok nu in zijn eigen bewoordingen 'afscheid neemt' van het socialisme en dit als een bevrijding ervaart, bewijst hoe drukkend de oude socialistische traditie in de Partij van de Arbeid nog is.

Hoe kan het midden waar Kok op doelt ervan worden overtuigd dat de maatschappij niet alleen kan voortleven bij de ondernemingszin van de privatisering en de lusten van het rendement? Dat is de kern van het vraagstuk. Degenen die niet tot het midden horen, duurzaam werklozen, bewoners van buurten in de verdrukking, de langer wordende reeks van groepen die geleidelijk aan de rand van het 'maatschappelijk proces' terechtkomen of er al overheen zijn, die allen hebben geen boodschap aan een politiek van het midden. Ze worden apolitiek, zoeken hun heil in minder aanvaardbare broodwinning of bekeren zich tot een 'nog meestal milde vorm van fundamentalisme' zoals dat 'in vele hoeken van onze samenleving waarneembaar is'. Heeft Kok dit bedoeld? Dat ligt voor de hand.

Het vooruitstrevend deel (misschien ook al een licht belast begrip) van het midden kan alleen bestaan als het de verantwoordelijkheid voor die groepen, hun onderwijs, huisvesting, werk, tot de publieke sector rekent. Ze kunnen de politiek van het midden niet bepalen; ze moeten erbij worden betrokken. Gebeurt dat niet, dan gaat op langere termijn het hele midden ten onder. Als Kok dit het afscheid van het socialisme noemt, is dat een boodschap aan zijn eigen kring. De rest van zijn rede is 'aan allen', en van een voorbeeldige duidelijkheid.