Advocaat: slimme beursfraudeur niet te pakken

AMSTERDAM, 13 DEC. Een intelligente beursfraudeur kan misbruik maken van voorkennis zonder ooit ontmaskerd te worden. Dat zegt dr. D. Doorenbos, expert op het gebied van financieel strafrecht, in reactie op de recente uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven over de reikwijdte van beursonderzoeken.

Dit rechtscollege bepaalde in kort geding dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE), onder wiens verantwoordelijkheid beursonderzoeken plaatsvinden, niet onbeperkt inzage krijgt in geldrekeningen van klanten. Het kort geding was aangespannen door ABN Amro dat de STE informatie weigerde naar aanleiding van een onderzoek naar mogelijke beurshandel met voorkennis bij BolsWessanen.

Het College van Beroep bepaalde in een voorlopige voorziening dat banken enkel verplicht zijn de beursrechercheurs rekeningoverzichten te verstrekken van de klant die op de beurs zelf opdracht geeft effecten te kopen of te verkopen. Als deze klant optreedt als stroman voor een derde, kan de STE dat niet achterhalen. Rekeningen van de werkelijke opdrachtgever - die beschikt over koersgevoelige informatie waaruit hij munt wil slaan - hoeft de bank na deze gerechtelijke uitspraak namelijk niet vrij te geven.

“Wie een beetje intelligent misbruik wil maken van koersgevoelige informatie, doet dat niet op een eigen effectenrekening. Die schakelt een ander in om de order op de beurs te plaatsen”, zegt Doorenbos die advocaat is bij Wladimiroff & Spong. In de geruchtmakende HCS-affaire verdedigde Doorenbos E. Albeda Jelgersma die samen met J. van den Nieuwenhuyzen verdacht werd van misbruik van voorkennis. “Het vergt een listige wijze van optreden, maar je kunt heel goed rookgordijnen ophangen.”

Een insider die beschikt over geheime koersgevoelige informatie over een beursgenoteerd bedrijf kan daar flink aan verdienen door op de beurs te gaan handelen. Hij weet dat de koers van die aandelen naar alle waarschijnlijkheid zal dalen of stijgen als die geheime informatie openbaar wordt gemaakt en kan daar met zijn eigen transacties op vooruit lopen. Door een stroman in te schakelen die echt opdracht geeft voor de transacties, blijft de insider in de luwte. Als de transacties inderdaad lucratief zijn gebleken, moet de stroman uiteindelijk (een deel van) de winst overmaken op rekening van de werkelijke opdrachtgever, de insider die beschikte over koersgevoelige informatie en dus de echte pleger van het misdrijf is.

Zo ver komen de speurneuzen van de beurs echter niet. Zij zien wel de opvallend lucratieve effectentransactie en vragen bij de bank die de effectenorder uitvoerde alle rekeningen van de stroman op. Ze komen er zelfs achter dat de belegger na de winst opgestreken te hebben een fors bedrag overmaakt naar een andere rekening. Maar die rekening staat op naam van een of andere onbekende BV. Bij navraag krijgen de controleurs van de bank nul op rekest. Vertrouwelijke gegevens over derden worden om redenen van privacy niet verstrekt, zo luidt het antwoord van de bank.

Rest de STE niet veel meer dan aangifte te doen bij Justitie van een vermoeden dat er iets niet in de haak is. Dat zou op zichzelf nog niet zo erg zijn, als Justitie in staat was iets met die aangiften te doen. Het openbaar ministerie heeft wel veel verdergaande opsporingsbevoegdheden dan de STE en kan met redenen omkleed dieper in de boekhouding van de bancaire wereld doordringen. Maar de capaciteit ontbreekt. Vrijwel wekelijks zijn er berichten over overnames, tegenvallende winstcijfers of vertrekkende bestuurders die voorafgegaan worden door opvallend veel activiteit op de effectenbeurs.

Directeur mr E. Canneman van de STE gaf onlangs toe dat het aantal verdachte zaken op de beurs hand over hand toeneemt. En Justitie heeft in Amsterdam slechts één officier ter beschikking die voorkenniszaken erbij moet doen. Die officier, mr J. Wortel, overlegt daarom regelmatig met de STE en de beurs om te beoordelen welke zaken bij de rechter een kans op succes maken en zich dus lenen voor een aangifte - een noodzakelijke selectie vooraf. Op tafel liggen dan de dossiers die de beursrechercheurs met hun nu ingeperkte bevoegdheden hebben samengesteld.

Doorenbos wil het belang van de rechterlijke uitspraak echter relativeren. Hij denkt dat de intelligente plegers van misbruik van voorkennis “niet de hoofdmoot” uitmaken. In alle hem bekende voorkenniszaken die niet de publiciteit hebben gehaald, handelden de verdachten onder eigen naam. Bij zaken die wel naar buiten zijn gekomen, was het niet anders. Zo kochten de voormalige bestuurders van Borsumij Wehry, J. Noordam en A. van der Graaf, op eigen naam effecten van het eigen bedrijf bij de commissionair Van den Broek. Van den Nieuwenhuyzen verkocht in 1991 wel aandelen HCS via een stroman, zijn vriend H. van Breukhoven, topman van de FreeRecordshop. Maar daarnaast gebruikte hij ook zijn eigen naam en weinig verhullende aanduidingen als JN Properties. Ook in de voorkenniszaak rondom de overname van RDM door Begemann, was van aanvang af duidelijk dat Van den Nieuwenhuyzen achter de gewraakte transactis zat.

Of dit nu betekent dat stroman-scenario's weinig voorkomen, of dat blijkt dat het moeilijk is ze te ontrafelen, kan Doorenbos niet zeggen. Hij verwacht echter wel dat het bij veel voorkenniszaken gaat om “een buitenkansje” waarbij degene die misbruik van een geheim wil maken heel snel moet handelen en geen tijd heeft om allerlei rekeningen te openen of door anderen te laten openen. “Alleen de hele grote jongens beschikken al bij voorbaat over twintig rekeningen.”

Een andere deskundige op het gebied van misbruik van voorkennis, mr J. Hoff, is er zelfs fel op tegen dat de STE ruimere bevoegdheden krijgt om bankgegevens op te eisen. Hoff is advocaat bij Loeff Claeys Verbeke en is raadsman van zowel Van den Nieuwenhuyzen als de voormalige Borsumij-top. “De STE wil zich tot de tanden toe bewapenen met allerlei vergaande bevoegdheden. Maar de STE zou zich moeten richten op het effectief gebruik maken van de bevoegdheden die ze nu al hebben.” Hoff wijst erop dat misbruik van voorkennis sinds 1989 strafbaar is, maar dat de beurs, de STE en Justitie er niet in geslaagd zijn om ook maar een persoon veroordeeld te krijgen. “De beursautoriteiten hebben bij voorbeeld een weinig gelukkige hand gehad in hun aangiftebeleid. Telkens werd Justitie ingeschakeld bij gecompliceerde zaken, terwijl men klassieke gevallen van voorkennis liet lopen.” Hoff vindt ook dat de STE als toezichthouder op het effectenwezen faalt in haar taak preventief op te treden door aan marktpartijen duidelijk te maken wat nu wel of niet mag. “Pas als de STE optimaal gebruik maakt van haar bevoegdheden en niet verder komt, kunnen we verder praten over uitbreiding van die bevoegdheden.”