Vliegangst bij een op de drie in Nederland

ROTTERDAM, 12 DEC. Een op de drie Nederlanders heeft in meer of mindere mate vliegangst. De meeste vormen van vliegangst zijn te verhelpen. De Stichting Valk, een samenwerkingsverband van de Rijksuniversiteit Leiden, de KLM en de NV Luchthaven Schiphol, heeft succes bij 98 procent van de mensen die bij de stichting aankloppen. In totaal heeft de stichting tot nu toe in vijfëneenhalf jaar ruim 900 mensen behandeld.

Klinisch psychologe Imke Grootenhuis van de stichting maakt onderscheid tussen drie categorieën van mensen met vliegangst. Ten eerste degenen die nog nooit gevlogen hebben. Daarnaast de mensen die hun angst onderdrukken met kalmerende middelen. En tenslotte de groep die al vaker heeft gevlogen, maar bij wie de angst geleidelijk is toegenomen.

Voetballer Dennis Bergkamp heeft in het verleden regelmatig het vliegtuig genomen. Hij behoort mogelijk tot de laatste categorie. Grootenhuis licht toe: “Het zijn mensen die vaker hebben gevlogen, maar op een gegeven moment niet meer het vliegtuig in durven. Vaak zijn ze perfectionistisch en leiden ze een druk bezet bestaan. Het zijn bijvoorbeeld mensen met een eigen zaak. Ze zijn gewend de touwtjes zelf in handen te hebben, maar in het vliegtuig hebben ze die controle niet en moeten ze zich overleveren aan de situatie.”

Volgens de psychologe is de meest eenvoudige vorm van vliegangst te behandelen in twee à drie maanden. Heeft iemand een slechte ervaring gehad, bijvoorbeeld een bommelding, dan kan het langer duren. “Je moet dan die nare herinnering zien los te koppelen”, licht Grootenhuis toe.

“De bedoeling is om het incident op een heel rationele manier te bekijken. Als bijvoorbeeld zo'n bommelding veel langer geleden is gebeurd, kan het een trauma worden. Daar heb je dan meer tijd voor nodig.”

Een Valk-therapie bestaat uit een intake-gesprek, gevolgd door gemiddeld vier individuele sessies. Gedurende tweeëneenhalve dag krijgen de cursisten een training voor ze uiteindelijk de gevreesde vlucht nemen. Tevens verleent de stichting een jaar nazorg voor het geval er nog problemen mochten zijn.