'Sociaal Nederland kan niet zonder publieke sector'

Wat moet de rol van de overheid zijn in een geïndividualiseerde samenleving? Moet ze terugtreden of juist oprukken? Volgens premier Wim Kok is een vitale publieke sector onontbeerlijk in een modern, sociaal Nederland.

De gedachtenvorming daarover is bij uitstek een taak van de sociaal-democratie.

Dit zijn enkele fragmenten uit de jaarlijkse Den Uyl-lezing, die W. Kok gisteren uitsprak in Amsterdam onder de titel 'We laten niemand los'.

In de persoon van Joop den Uyl weerspiegelt zich het dilemma dat onze beweging vanaf haar oprichting heeft begeleid: de spanning tussen droom en daad, ideaal en werkelijkheid, ideaal en ideologie. (...) De spanningen in de sociaal-democratische beweging - af en toe uitlopend op een heuse strijd, soms leidend tot afsplitsing - worden gevoed vanuit twee bronnen. In de eerste plaats is er de ambitie een brede volksbeweging te zijn, waarin mensen van verschillende achtergrond en maatschappelijke positie een betere samenleving op het oog hebben. (...) In de tweede plaats stroomt de bron van de radicaliteit op volle kracht. (...) De afsplitsing van splintergroeperingen ter linker- en rechterzijde - respectievelijk de PSP (1957) en DS'70 (1970) - toont overigens aan dat - hoe moeizaam soms ook - de PvdA op beslissende momenten altijd weer heeft gekozen voor het ideaal van de breed samengestelde volkspartij.

Twee dagen vóór de val van de Berlijnse Muur treedt het kabinet Lubbers-Kok aan. (...) De partij wil regeren, massaal gesteund door de duizenden partijgenoten die in barre tijden wél politieke verantwoordelijkheid hebben genomen in het (monistische) lokale en provinciale bestuur. (...) Mentaal blijkt de overgang wél erg groot, en bij de WAO-crisis bijna té groot. Forse economische tegenwind maakt een straf bezuinigingsbeleid en de heroriëntatie van de verzorgingsstaat onontkoombaar.

Veel ingrijpender - en nog steeds niet verwerkt - is de val van het communisme. Vele naties, nationale gemeenschappen in de voormalig communistische wereld, komen met de schrik vrij, en zoeken moeizaam naar de grenzen van de nieuw verworven vrijheid. (...) Onder de vlag van herwonnen vrijheid en ontluikende democratie groeien economische samenwerkingsverbanden of blokken en krijgt de wereldvrijhandel ruim baan.

Een ander gevolg van de val van het communisme is het verminderde geloof in beredeneerde voorstellingen over hoe de maatschappij er idealiter zou moeten uitzien en welk type mensen daarbij past. Wij noemen dat: ideologieën. (...) Voor zover hier afstand wordt gedaan van alomvattende maakbaarheidspretenties met betrekking tot mens en maatschappij (...) is er sprake van een bevrijdende verworvenheid. Maar voor zover de aankondiging van het 'einde der ideologieën' mede bedoeld zou zijn om te zeggen dat 'de' maatschappij niet of nauwelijks voor betekenisvolle beïvloeding vatbaar is, neem ik daar nadrukkelijk afstand van. Een dergelijke redenering is eenvoudig strijdig met het ervaringsgegeven en inzicht dat de politiek - overheden dus - op vele terreinen des levens grote invloed uitoefenen en broodnodig zijn.

(...)

Het is duidelijk dat de wereldwijde wijzigingen, die zich zo dicht bij onze deur hebben afgespeeld, ook grote invloed hebben op de politiek-maatschappelijke verhoudingen in eigen land. De grotere aantrekkingskracht van het liberale gedachtengoed is thans duidelijk waarneembaar. Het structurele karakter daarvan moet nog blijken. Partijen zoals de PvdA, die een sterker door ideologie getekend verleden met zich dragen, kregen het moeilijker. Er is geen reden hieraan overhaaste conclusies te verbinden. De PvdA heeft, méér dan de liberalen, de afgelopen zes jaar verantwoordelijkheid genomen voor noodzakelijk maar niet populair makend beleid. De oude ideologie blijkt niet in staat afdoende antwoord te geven op sleutelvragen van deze tijd. Het afschudden van ideologische veren is voor een politieke partij als de onze niet alleen een probleem, het is in bepaalde opzichten ook een bevrijdende ervaring. Ik zeg het Paul Kalma na - wij schrijven 1987 - 'Een werkelijke vernieuwing van de PvdA begint daarom met definitief afscheid van de socialistische ideologie; met een definitieve verbreking van de ideologische banden met andere nazaten van de traditionele socialistische beweging'. Dit proces is - anno 1995 - nagenoeg voltooid. We dienen ons met nog meer kracht en overtuiging te storten op de inhoud van de problemen waarmee mensen in onze samenleving worden geconfronteerd.

(...)

Er is onmiskenbaar een groeiende behoefte de samenleving een gevoel van richting, van zingeving mee te geven. Fragmentatie en vergruizing roepen tegenbewegingen op, die er op uit zijn de burger weer te betrekken bij de publieke zaak, een nieuwe verantwoordelijkheid te geven bij het beheer en de invulling van het publieke domein. Hier ligt bij uitstek een taak voor politici en politieke partijen, die op dit terrein enthousiasme weten los te maken en gezag kunnen verwerven.

(...)

Met het algemeen kiesrecht zette de sociaal-democratie haar tocht voort door en met de instituties. En is en blijft de verzorgingsstaat - met al zijn mankementen en verstarringen - niet de mooiste prestatie van die menselijke en georganiseerde wilsvorming? Wie de verzorgingsstaat in zijn kern wil typeren - en tevens de sleutel tot het behoud ervan wil aanreiken - komt toch uit op een precaire, dus goed te bewaken verhouding tussen rechten en plichten van de burgers onderling. Voorts staat of valt de verzorgingsstaat met het vermogen de verbinding, een convergentie tot stand te brengen tussen toekomstgerichtheid van individu én maatschappij, mogelijk te maken door een zekerstelling (sociale zekerheid) die het lot zoveel mogelijk op afstand houdt.

(...)

De PvdA heeft de tekenen des tijds wel verstaan. (...) Wij bevinden ons nu nog midden in een omwenteling. Juist de sociaal-democratie verbindt nu de verantwoordelijkheid als grootste regeringspartij met de noodzakelijke energie en onstuimigheid van een gedaantewisseling.

Dat brengt natuurlijk spanningen met zich mee. Maar die spanning - zeker waar het de discussie over de inhoud van ons beleid betreft - biedt tegelijkertijd zowel een waarborg tegen vrijblijvendheid als tegen zelfgenoegzaamheid. Voor geordende en gefundeerde politieke wilsvorming zijn partijen met hun programma's en mensen onmisbaar.

(...)

Het grenzeloos verleggen van grenzen en het gepassioneerd vasthouden aan grenzen, tekenen het beeld van onze tijd. Alles moet kunnen, maar kan alles wel? Een meestal milde vorm van fundamentalisme is in vele hoeken van onze samenleving waarneembaar. Voor de een kan de vrijheid niet ver genoeg gaan, de ander voelt zich in zijn vrijheid juist beperkt door die vrijheid.

Nederland is - om het in een beeld samen te vatten - één grote stad geworden, iedereen beweegt, ongevraagd kom je elkaar tegen, vaak zit je elkaar in de weg. Het dringende verzoek om voor iedereen verstaanbare, doorzichtige regelgeving klinkt met de dag luider. Het nu in brede kring - zonder enige gêne - gevoerde debat over normen en waarden weerspiegelt die behoefte aan herijking van de regels voor het samenleven.

Anders gezegd: het publieke belang vraagt om een herdefiniëring. Waarmee we in het hart van de politiek zitten.

Ik ben daarom van mening dat het in de komende tien jaar drukke tijden worden voor de politiek. De politiek zal zich in het hart van het publieke debat moeten ophouden en over de eigen instituties heen - de politiek als beroep - de samenbindende elementen in de samenleving moeten (her)definiëren. Daarbij zullen twee visies om voorrang strijden. De ene visie - noem het de liberale - zal de betrokkenheid (bemoeienis) van de overheid, de publieke sector willen minimaliseren: de minimale staat. In die visie zal een maximale vrijheid van de burger zowel die burgers als de maatschappij het meest opleveren, in termen van welvaart en welzijn. In de andere visie - noem het de sociaal-democratische - zal juist een actieve publieke sector die zich al naar gelang van de omstandigheden, op vele terreinen mag bewegen, geboden zijn.

Al zullen soms in de praktijk van het leven en in de beredenerende visies die met deze benaderingen worden verbonden de verschillen niet zo groot zijn of lijken, hier kunnen ogenschijnlijk smalle marges grote gevolgen hebben. In mijn visie zal in een zich 'individualiserende' samenleving steeds meer behoefte bestaan aan het vaststellen van wat ons gemeenschappelijk dient te binden. De articulatie van het publieke belang - dat wat ons bindt - raakt het hart van wat ik als sociaal-democratische politiek zie.

Om twee redenen: in de eerste plaats is - niet in opzet, maar in het leven van alle dag - de capaciteit vrijheid te doen gelden ongelijk verdeeld, in de tweede plaats is de keuze voor een actieve publieke sector ingegeven door de opvatting dat sommige onderwerpen, doeleinden slechts door de publieke sector kunnen woreden behartigd. Om de eenvoudige reden dat de private sector op die verantwoordelijkheid niet kan worden aangesproken, en dus ook niet verantwoordelijk kan worden gehouden.

(...)

De sociaal-democratie zal in de onorthodoxe zoektocht naar omvang en organisatie van de publieke sector voorop moeten lopen. Op die weg hebben we pas de eerste stappen gezet, omdat we komen uit een mentale traditie van verdediging. Het gaat hier echter om een hervormingsgezindheid. Wie een toekomstgerichte publieke sector wil hebben of houden, zal hoge eisen stellen aan competentie, gezag en de bereidheid kritisch naar eigen prestaties te kijken. Wie niet op de minimale staat wil uitkomen, zal mensen moeten zien te winnen voor de idee dat de toekomst van ons land - een modern, sociaal Nederland - niet zonder een gemoderniseerde publieke sector kan.