Op de juridische studiezaal

AMSTERDAM. Vandaag drie kleine exercities in de algemene juridische bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam.

Voorbeeld één. Al enige weken wordt in Den Haag gespeculeerd over de vraag of Desi Bouterse aan Nederland kan worden uitgeleverd om terecht te staan voor de fraaiigheden die de drugsonderzoekers van het zogenaamde Copa-team hebben opgeduikeld. Het recht moet zijn loop hebben, verzekerde de secretaris-generaal van het ministerie van justitie nog onlangs tegenover deze krant. Er is nooit gezegd: dit is een mission impossible. En al heeft niemand de illusie dat Suriname zo'n invloedrijke onderdaan ook werkelijk zal uitleveren, juridisch wordt zijn vervolging in politieke kringen niet kansloos geacht.

Juridisch? Men hale de Surinaamse grondwet van de plank. Artikel 3.7. De wet stelt regels vast omtrent de uitlevering van vreemdelingen. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag en overeenkomstig de wijze bij wet vastgesteld. Bestaat er zo'n uitleveringsverdrag tussen Nederland en Suriname? Nee. Er is tussen beide landen alleen maar een rechtshulpverdrag waarin het horen van getuigen en het uitwisselen van stukken geregeld wordt. Zou Desi Bouterse, als er alsnog een uitleveringsverdrag zou komen, wèl naar Nederland gestuurd kunnen worden? Vergeet het maar. De Surinaamse grondwet spreekt in dit verband immers nadrukkelijk van vreemdelingen, waardoor Suriname zich impliciet schaart bij de vele landen die het uitleveren van eigen onderdanen aan een vreemde mogendheid uitsluiten. Men kan dus in Nederland vervolgen wat men wil, men kan Bouterse, mocht hij ooit president worden, het leven buitengewoon zuur maken, maar uitleveren kàn juridisch gewoon niet.

Voorbeeld twee. Het ministerie van justitie sluit een afvloeiingsovereenkomst met een hoge justitiële ambtenaar die men liever kwijt dan rijk is. Het overeengekomen bedrag is extreem hoog gezien 's mans kwaliteiten, en terecht loopt de Tweede Kamer te hoop. Terugdraaien die boel, roepen veel politici. Alleen: terugdraaien van zo'n overeenkomst kàn juridisch gewoon niet, iets wat iedere tweedejaars rechtenstudent kan vertellen, maar wat veel Kamerleden blijkbaar niet willen weten.

Voorbeeld drie. Een Groningse officier van justitie vervolgt, op aanwijzing van de minister, een huisarts inzake een euthanasiekwestie. Tijdens de zitting stelt hij echter ook de principiële vraag aan de orde of de meldingsplicht van artsen bij euthanasiezaken wel in overeenstemming is met algemeen geldende grondrecht dat niemand mee hoeft te werken aan zijn eigen veroordeling. Op die grond eist hij ontslag van rechtsvervolging. Een rel breekt los. Het CDA-Kamerlid Van der Burg stelt een reeks woedende vragen, de officier wordt door minister Sorgdrager wegens zijn eigengereidheid publiekelijk door de mangel gehaald en zelfs wordt er gesproken van disciplinaire straffen. Alleen: juridisch was het volkomen legitiem wat die officier deed. Zoals de Groningse hoogleraar J. Griffiths vorige week op deze pagina's uiteenzette leefde onder veel juristen allang bezorgdheid over de gespannen verhouding tussen de meldingsplicht en het bovengenoemde nemo-tenetur beginsel. Toen de Groningse officier dit probleem bij de rechtbank aankaartte deed hij dus niets anders dan zijn werk als jurist, alle geblaas van Kamerleden ten spijt.

Wat hebben deze drie exercities op een decemberse namiddag in de juridische studiezaal nu met elkaar gemeen? In de eerste plaats tonen ze aan dat er nog altijd, naast het bestuur en de politiek, een derde macht bestaat. En dat er nog altijd dingen zijn die, al zijn ze politiek nog zo wenselijk of begeerlijk, op grond van de normen van die derde macht gewoon niet kunnen. Maar in de tweede plaats laten ze ook zien dat die macht meer en meer genegeerd wordt en dat juridische aspecten in het denken van politici en bestuurders vaak een lage prioriteit hebben. Wat binnen het IRT in het klein plaatsvond, kan zo ook in het groot gebeuren. Efficiency en doelgerichtheid kunnen zo'n dwang opleggen dat zolangzamerhand een ontjuridisering van het publieke denken plaatsvindt. Wie zeurt er nog over recht en wet? Die vent krijgen we gewoon uitgeleverd, die bende luizen we er gewoon in en die officier van justitie, die moet gewoon zijn grote mond houden.

Het laatstgenoemde geval is een kwestie die deze middag nog grijzer maakt dan hij al is. Het openbaar ministerie is bezig zichzelf te reorganiseren, en zeker na de verhoren door de commissie-Van Traa en het gehannes rond de coffeeshops ligt het voor de hand dat de roep om een strakkere aansturing van de officieren van justitie luider wordt.

Dat alles neemt echter niet weg dat een officier van justitie binnen het Nederlandse rechtssysteem een eigengereide rol zal moeten houden. Wij kennen in ons land niet een beginsel op grond waarvan elk delict dat de politie ter ore komt ook vervolgd moet worden - het zou in de praktijk trouwens niet eens kunnen. Dat betekent dat elke officier van justitie telkens weer keuzes moet maken, dat het openbaar ministerie een eigen vervolgingsbeleid moet kunnen bepalen, en dat omwille van de onafhankelijkheid van de rechtspraak politiek en bestuur daar slechts marginale invloed op mogen hebben.

Formeel is het openbaar ministerie opgezet als een hiërarchieke, ambtelijke dienst, feitelijk werkte de dienst jarenlang als een an-archieke organisatie, zo schreef ooit de staatsrechtgeleerde Van Maarseveen. Hij verwees daarbij naar bepaalde sectoren binnen het ministerie van justitie en binnenlandse zaken, waar vanouds ook meer een regenten- dan een referendarissenmentaliteit heerste. Men verdroeg afwijkingen, men zette zijn eigen denkbeelden niet perse door, er leefde nog iets van bestuurlijk liberalisme, het oude idee van de gespreide verantwoordelijkheden naar eigen inzicht. De term zei het al: men was lid van het openbaar ministerie, niet ambtenaar van Justitie. Die rolverdeling gaf ook de minister een bepaalde vrijheid: ze kon terugvallen op de relatieve autonomie van het openbaar ministerie als al te ijverige Kamerleden zich met incidentele strafzaken wilden gaan bemoeien. Zo konden gevallen van politieke justitie tot een minimum beperkt worden.

De openlijke schoffering van deze Groningse officier door de minister van justitie lijkt het einde te zijn van deze delicate machtsbalans. Het ligt in de lijn van een cultuurverandering die toch al gaande is binnen de justitiële wereld: die van magistraten naar referendarissen. Juristen met hart en ziel krijgen het nog moeilijk.