Mannendepressies

De schoonmaakwoede in het voorjaar heb ik nooit gekend, maar wel een zwak aftreksel hiervan tegen het eind van het jaar, een soort opruimdrang die niet jaagt op stofnesten, maar op overtollig papier. Nu klinkt dat simpeler dan het is, want wat is overtollig?

Het scherpe hedengerichte scheermes - wat vandaag niet bruikbaar is kan weg - werkt bij mij niet, want wat vandaag niet van nut is, kan het altijd nog worden. En nog erger: kan iets overtollig worden wat ooit veel betekenis had? Heel ver kom ik dan ook nooit in deze acties, maar vaak wel ver genoeg om iets te vinden wat van alles oproept en het opruimproces weer hinderlijk doet stagneren.

Zo vond ik laatst de in de jaren zeventig populaire sticker die toen stichtend in menige wc en garderobe was opgeplakt met de indringende vraag: 'Ooit een normaal mens ontmoet? En... beviel het?' Het was een bericht uit de tijd van de anti-psychiatrie waarbij psychiatrische patiënten aan een krachtige herwaardering werden onderworpen. Maar ook - in negatieve zin - alle niet-patienten, want de eersten waren niet alleen slachtoffer van de tweede - van 'de ziekmakende maatschappij', dus van de normale burgers en hun beknellende instituties en structuren - ze waren ook leuker, creatiever, gevoeliger. Het was een romantische visie op de onaangepastheid.

Ik vond het altijd een ongemakkelijke vraag, waarbij je sterker de boodschap voelt dan het antwoord weet. Het beviel soms best, een normaal mens; en net alsof het zo leuk was om een gestoord mens te ontmoeten. Ik elk geval is een psychotisch of een depressief mens zelden een genoegen - niets maakt de medemens, de ontmoeter in dit geval, zo onmachtig.

Deze rehabilitatie van de patiënt en het concept van de ziekmakende maatschappij zijn hopeloos verouderd: niet alleen vele papierlagen maar ook aardlagen terug, te traceren als jaarringen op een boom. Niemand denkt meer zo. Vele stormen zijn hier overheen gegaan, waaronder de breinstorm die door nieuwe middelen als prozac werd teweeggebracht (zie Emma Brunt). Een pil tegen een depressie: kan het mooier, kan het simpeler, zowel voor arts als voor patiënt. En voor de farmaceutische industrie, merkt de psychiater Van den Hoofdakker op in een interview vorige week in deze krant, ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar psychiatrie. Biologische psychiatrie nog wel, dus zeker niet te verdenken van een 'oversocialized conception of man', zoals de sociologie soms verweten kan worden. Een interessant denker in het debat over de vraag pillen of praten, brein of geest, biologie of psychosociale inzichten; kortom begrippenparen die alle gaan over de vraag of depressies hersenziekten zijn of een gevolg van een verstoorde relatie met de omgeving. Van den Hoofdakker hangt de laatste visie aan en ziet juist daarin de betekenis van de biologische psychiatrie. Deze moet zich niet richten op kennis over de moleculen waaruit het zenuwstelsel is opgebouwd, maar op de vraag hoe mensen als levende mechanismen interacteren met hun omgeving.

De sociologie mag dus weer meedoen, maar hoe? Want wát uit de omgeving maakt ziek en wie wordt ziek waarvan? Het onderzoek heeft intussen niet stilgezeten en vele factoren zoals sociale klasse, het al dan niet buitenshuis werken van vrouwen of allerlei ingrijpende levensgebeurtenissen zijn bekeken op hun mogelijke invloed op depressie. Heeft dit soort kennis nu iets opgeleverd? Op een beperkte manier wel, maar correlaties zijn nog geen verklaringen en onverklaard blijft waarom de een wel en de ander niet depressief wordt in overeenkomstige situaties.

Het interessantst vind ik de gegevens die betrekking hebben op de sekseverschillen in depressie: de depressiescore van vrouwen was lang tweemaal zo hoog als die van mannen, maar mannen zijn aan het inlopen, zoals vrouwen bij longkanker. Of hun stijgende depressiescore samenhangt met positieverlies, door emancipatie of werkloosheid, of met veranderende diagnostiek - ook bij mannen worden depressies steeds meer onderkend - valt jammer genoeg niet zo te zeggen; daar is individueler gericht onderzoek voor nodig. Over 15 jaar, bezig met het opruimen van deze papierlaag, weten we in elk geval of deze trend zich heeft doorgezet. En ook of men nog steeds zo enthousiast is over prozac.

    • Christien Brinkgreve