K. Schippers krijgt voor essays P.C. Hooftprijs

DEN HAAG, 12 DEC. De P.C. Hooftprijs voor letterkunde 1996 is gistermiddag toegekend aan de schrijver K. Schippers voor zijn beschouwend proza. K. Schippers, pseudoniem van Gerard Stigter, werd geboren op 6 november 1936 in Amsterdam. In 1958 was hij een van de oprichters van het 'tijdschrift voor teksten' Barbarber. In de daaropvolgende jaren publiceerde hij onder meer de bundels De waarheid als De koe, Verplaatste tafels, De berg en de steenfabriek en Museo Sentimental. Na J. Bernlef in 1994 is Schippers het tweede redactielid van Barbarber aan wie de P.C.-Hooftprijs is toegekend. De prijs bestaat uit ƒ 75.000,-, een oorkonde en een bedrag van ƒ 50.000,- dat gebruikt moet worden 'voor een specifiek doel dat verband houdt met het bekroonde oeuvre.'

De jury, die bestond bestond uit Hugo Brandt Corstius, Maarten Doorman, Jan Fontijn, Nicolaas Matsier en Xandra Schutte, prijst vooral de originele wijze van kijken die Schippers in zijn oeuvre aan de dag legt. “Het verrassende van zijn essayistiek is dat hij door zijn omcirkelende wijze van schrijven de lezer verleidt tot zijn blik”, aldus de jury. Vorige winnaars van de P.C. Hooftprijs voor beschouwend proza waren Hugo Brandt Corstius in 1987, Kees Fens in 1990 en Gerrit Komrij in 1993. Vorig jaar werd de prijs gewonnen door A. Alberts, voor zijn literaire proza. Schippers won eerder onder meer de Multatuliprijs voor zijn roman Beweegredenen en de J. Greshoffprijs voor zijn bundel Museo Sentimental. De omschrijving 'beschouwend proza' voor deze categorie van de P.C. Hooftprijs zal zelden adequater zijn geweest dan in het geval van Schippers.

Pagina 7: De precieze verbazing van K. Schippers

Het werk van Schippers is niet alleen beschouwend in de zin van essayerend, het gaat ook voor een belangrijk deel over beschouwen in de zin van kijken, zoals Schippers prachtig laat zien in het verhaal 'De Wandelstok' uit de bundel De berg en de steenfabriek (1986).

Op een regenachtige middag in november loopt de schrijver door Londen. Het miezert, hij heeft zijn handen vol tassen, en plotseling komt hij op New Oxford Street langs een winkel waar met sierlijke letters James Smith & Sons Umbrella & Stick Stores op staat. Schippers koopt er een paraplu. Hij loopt door en even later, op Charing Cross Road, ziet hij een boek in de etalage van boekhandel Foyles liggen dat over wandelstokken gaat. Ook dit boek besluit de schrijver te kopen.

Hij wandelt naar een coffee-shop even verderop en begint in het boek te bladeren, dat blijkt te gaan over de verschillende toepassingen van de wandelstok. Tot verbazing van de schrijver begint het met een dokterstas (inclusief pillendoosjes en medicijnflesjes) en behandelt vervolgens radio's, klarinetten, zwaarden en verrekijkers - allemaal verborgen in steel en kop. Steeds verder gaat het boek: een wandelstok blijkt een opiumpijp te kunnen bevatten, een kaarttafeltje, een barometer, een doedelzak. “De wandelstok begon nog sneller voorwerpen te baren”, schrijft Schippers dan ook, “alsof hij mij wilde terechtwijzen voor het feit dat ik hem zo lang beperkte vermogens had toegeschreven.”

Deze gebeurtenis is tekenend voor het werk van Schippers, aan wie gisteren de P.C. Hooftprijs voor beschouwend proza is toegekend. Zijn manier van kijken is precies en vol verbazing - zelden neemt Schippers de dingen bij voorbaat zoals ze lijken. De basis daarvoor legde Schippers in het tijdschrift Barbarber, dat hij samen met G. Brands, J. Bernlef en Frits Jacobsen in 1958 oprichtte. De laatste verliet het blad al na twee nummers; de overige drie zetten het blad voort tot 1971. De blik op de wereld van de Barbarber-leden is luchtig en speels, en hun proza en poëzie handelen over gewone zaken of gebeurtenissen, uit het leven gegrepen en van iedere romantische waas ontdaan.

Een van Schippers' grote voorbeelden is de beeldend kunstenaar Marcel Duchamp, een invloed die vooral in zijn vroege gedichten duidelijk naar voren komt. Die gedichten zou je als de poëtische toepassing van Duchamps 'Fietswiel op een krukje' kunnen beschouwen - al geeft Schippers aan dat wiel vaak nog eens een flinke draai. Typerend voor zijn werk zijn regels als de volgende, uit zijn debuut De waarheid als De Koe: Als ik je gezicht zo zie

wil ik soms

net als een dichter

wat vergelijkingen maken

met bijvoorbeeld prachtige bloemen

of zonneschijn en

meer van dat moois.De waarheid als De koe werd in 1965 gevolgd door Een klok en profil. De titel is net als die van Een cheque voor de tandarts, een beschouwing over moderne kunst die hij samen met J. Bernlef schreef, ontleend aan het werk van Duchamp. In 1969 publiceerde hij Verplaatste tafels; reportages, research en vaudeville een bundel die door critici enthousiast werd ontvangen, vooral door de onorthodoxe mengelingen van genres.

Vanaf het begin van de jaren zeventig begon Schippers in toenemende mate in tijdschriften publiceren. Hij werd medewerker beeldende kunst van de Haagse Post, schreef voor De Gids en Maatstaf en was in 1975 een van de oprichters van Hollands Diep. In de daaropvolgende jaren verwierf Schippers vooral faam met bundelingen van essays en proza, zoals De berg en de steenfabriek (1986) en Museo sentimental (1990) die grotendeels eerder waren gepubliceerd in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad waarvan K. Schippers vaste medewerker is. Nog dit najaar verscheen De vermiste kindertekening.

De laatste jaren lijkt het erop dat Schippers' wijze van kijken zich langzaam is gaan verplaatsen van Duchamp naar Cézanne. Hij is zich minder gaan richten op het droge, ironische observeren uit zijn Barbarber-jaren, maar zijn stijl doet allengs meer denken aan die van Paul Cézanne die de Montagne Saint-Victoire probeert te schilderen. Schippers is een kunstenaar die zich blijft verbazen over de werkelijkheid die hij voor zich ziet, en al ziet hij die elke dag, hij blijft pogingen doen om zowel zijn eigen blik als die van zijn lezer daar opnieuw doorheen te gidsen.