Jongens van veertien en achttien jaar

Het kost grote moeite om de geschiedenis van Tom en Karel aan te horen. Ervaren rechters, advocaten en rechtbankjournalisten kijken na afloop verslagen voor zich uit. Hoe kon zoiets gebeuren? Heeft zo'n drama met de tijdgeest te maken? Nee? Maar waarom gebeurden zulke dingen dan vroeger nooit, althans niet met daders van respectievelijk veertien (Tom) en achttien (Karel) jaar in een rooms provinciestadje?

Het wordt doodstil als Karel 's morgens de Bossche rechtszaal binnenstapt. Een gezette jongen met hoogrode konen in een niet onvriendelijk gezicht. Karel moet alleen voor de drie rechters verschijnen, zijn minderjarige makkertje Tom zal 's middags achter gesloten deuren worden vervolgd. Beiden worden beschuldigd van een dubbele moord: op Astrid Vermeeren (47) en haar zoon Luuk (17).

Karel was een tijdje bevriend geweest met Luuk, zijn overbuurjongen. De hobby's van Luuk - satanisme, heavy metal-muziek - had Karel interessant gevonden, maar op een gegeven moment haakte hij af. Daarna begon hij te broeden op een morbide scenario dat hij in een schriftje optekende. Hij wilde zowel Luuk als Astrid uit de weg ruimen. Luuk bezat flink wat cd's die hij kon doorverkopen, Astrid moest dood omdat het anders allemaal zou uitkomen. Met de opbrengst van Luuks cd's wilde hij eigenlijk maar één ding: stripboeken kopen, want daaraan was hij verslaafd - vooral aan de gewelddadige genres.

“Mag ik meedoen?” vroeg Tom, zijn jongere vriendje. Hij was vooral geïnteresseerd in de gewelddadige videofilms van Luuk. De vraag was nog even: hoe pleeg je zo'n moord? De nekken dienden gebroken, besloten ze. Ze stelden hun werkwijze, naast de namen van de slachtoffers, op schrift.

Twee dagen later belden ze bij Luuk Vermeeren aan. Ze vielen Luuk aan en probeerden met een Chinese worsteltechniek zijn nek te breken. Het lukte niet, want Luuk verzette zich fel. Het was maar een grapje geweest, zeiden ze tegen Luuk, en ze gingen weer weg.

Op de terugweg ontmoetten ze een klasgenoot van Karels mbo-opleiding. Ze vertelden hem wat ze van plan waren: ze zouden Luuk en zijn moeder de volgende dag met messen gaan vermoorden. De klasgenoot geloofde hen niet en Karel sloot een weddenschap met hem af.

Uiteindelijk fabriceerden ze van een elektrisch snoer een wurgkoord, en besloten ze alleen in geval van nood een mes te gebruiken. Met de moordwapens in hun rugzakken togen ze naar huize Vermeeren, waar Astrid - Luuk was er nog niet - de beide jongens nietsvermoedend ontving.

Na wat gepraat pakte Tom haar als eerste vast, waarna Karel het wurgkoord om haar nek legde. Karel haalde het koord zo strak mogelijk aan, terwijl Tom zijn hand op Astrids mond legde. Op zeker moment knalde Astrid met haar hoofd enkele malen tegen de grond. Karel moest er erg om lachen, schreef hij na zijn arrestatie aan een vriend. Toen Astrid na tien minuten niet meer bewoog, werd ze naar een zijkamertje gesleept.

De strafkamerpresident, mevrouw mr. I. Quaadvliet, kijkt de verdachte streng aan en zegt scherp: “Toen heeft u samen met Tom naar haar kut gekeken. U vingerde haar met een rubberhandschoen. Klopt dat?”

“Ja.” Karel houdt voor het eerst zijn ogen neergeslagen. Zijn gezicht, waarop steeds een nerveus lachje speelt, is even roerloos.

“Dit is schokkend, meneer. U had niet alleen geen respect voor een levende mevrouw Vermeeren, maar ook niet voor een dode.”

De jongens doorzochten vervolgens het huis op geld en videobanden. Het wachten was op Luuk. Hij vroeg meteen naar zijn moeder en ze verwezen hem naar boven. Daar sloeg Karel opnieuw toe met zijn wurgkoord. Luuk spartelde heftig tegen, terwijl Tom lachend stond toe te kijken. De marteldood van Luuk moet zeven minuten geduurd hebben: een vuist tegen zijn strottehoofd, een theedoek in zijn mond, een stofzuigerslang op zijn keel.

Toen het voorbij was, zei Tom: “Zullen we 'm lekker opensnijden?” Dat weigerde Karel, waarna Tom een snee in het voorhoofd van Luuk maakte.

“Nu lacht u wéér”, zegt een rechter tegen Karel terwijl de president uit de stukken citeert. “U lacht steeds als er iets afschuwelijks wordt gezegd.”

“Het is een reflex.”

“Geeft het u een kick als u dit hoort?” vraagt de president.

“Nee.”

“Dit is zeer gruwelijk. Iets dergelijks is de rechtbank zelden tegengekomen.”

Om hun sporen uit te wissen, probeerden de jongens, tevergeefs, het huis tot ontploffing te brengen. De volgende dag zei Karel tegen zijn klasgenoot: “Je hebt de weddenschap verloren.” “Als het waar is, geef ik je aan bij de politie”, zei de jongen. “Dan zal jij niet meer ademen”, zei Karel.

In de daaropvolgende dagen verkocht Karel niet alleen de gestolen cd's, hij ging ook nog enkele malen met Tom naar het dodenhuis terug om nòg twintig cd's te stelen. Dankzij een tip van de klasgenoot konden ze ten slotte worden gearresteerd.

Tegen de politie zei Karel later: “Ik had een hekel aan ze, maar andere mensen had hetzelfde kunnen overkomen als ze cd's hadden gehad. Ik wilde gewoon iemand vermoorden. Het lot bepaalde dat Astrid en Luuk dood moesten.”

“Wat vindt u er nu van?” vraagt de president.

“Ik ben stom bezig geweest.”

“Omdat u hier nu zit?”

“Ja.”

“U vindt het niet erg dat ze dood zijn?”

Hij schudt van nee. Hij geeft toe dat hij in die periode woedend was geweest omdat zijn moeder een van zijn stripboeken had vernield. Maar ging het eigenlijk wel om die stripboeken, vraagt een rechter, had hij niet vooral gemoord om de kick?

Karel knikt. “Het was woede. Ik denk ook wel nieuwsgierigheid.”

Karel is een hoog begaafde jongen (IQ 138) die op school weinig uitvoerde. Zijn ouders scheidden toen hij zeven jaar was, sindsdien woonde hij bij zijn moeder. Hij was lief voor zijn moeder - een stille, eenzelvige jongen die zich met zijn stripboeken terugtrok in een agressieve fantasiewereld. Hij heeft al gezegd dat hij een verblijf in een tbs-inrichting niet vervelend vindt, omdat hij dan zonder afleiding kan fantaseren. Bij het Pieter Baan Centrum noemen ze hem sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Er zijn aanwijzingen voor schizofrenie.

Tom komt uit een stabiel gezin met een vader, drie kinderen en een moeder die een verantwoordelijke baan heeft. Hij voelde zich op school uitgestoten en zocht loyaliteit bij de oudere Karel. Volgens de officier van justitie, mr. M. Beukers, was Karel weliswaar de plannenmaker, maar moest Tom hem steeds over zijn aarzelingen heenhelpen. Hij eist tegen Karel twaalf jaar gevangenisstraf plus tbs met dwangverpleging.

“Ik weet dat er iets verkeerds zit in mijn hoofd”, zegt Karel in zijn laatste woord, “daarom hoop ik dat ik zo snel mogelijk behandeld kan worden zodat het me geen tweede keer overkomt.”

(Het vonnis, twee weken later: voor Karel: een gevangenisstraf van negen jaar en tbs met dwangverpleging; voor Tom: plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling, uiterlijk tot de leeftijd van 21.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.