De Ieren

Mijmerend over de historie van onze voetbalduels met de Ierse republiek schiet mij als eerste evenement de 5-2-overwinning van Oranje in het voorjaar van 1934 te binnen. Het was de periode van het 'krankzinnige kwartiertje' en getrouw aan zijn jonge reputatie toverde Nederland uit een 1-2 achterstand een 5-2-overwinning. Minpunt: keeper Adri van Male had zich door de anderhalve kop kleinere Ierse stormram Moore met de bal in de hand in eigen doel laten duwen.

We kenden die Moore, want twee jaar tevoren had hij beide goals tot stand gebracht in een met 0-2 verloren duel, ook in Amsterdam. Acht jaar eerder, tijdens de Olympische Spelen van Parijs, stond het 1-1 na negentig minuten. In de verlenging doelpuntte de Spartaan Ok Formenoy, die ook onze eerste goal had gescoord. Later zou hij in een interland zijn been breken.

In de dertiger jaren speelden we meestal goed tegen de Ieren. Zo vervulde Leo Halle in 1935 een heldenrol in Dublin, in regen en modder. Hoewel zijn ogen vol smurrie zaten keerde Halle een strafschop. Oranje won met 5-3. Moore was er ook weer bij, maar kwam niet tot scoren.

De Ieren waren meestal pittige tegenstanders, al hadden zij tijdens de Olympische Spelen van Londen hun in Engeland voetballende profs wegens de olympische voorschriften niet mogen opstellen. Nederland won toen met 3-1, met twee treffers van Faas Wilkes en een van André Roosenburg. Abe Lenstra was eveneens van de partij, net als Kees Rijvers.

Zeven jaar later, toen Roel Wiersma nog in het Hilversumse Donar speelde, Wilkes zijn Italiaanse periode al achter de rug had en de Feyenoorder Piet Steenbergen als aanvoerder fungeerde, bleven de Ieren in eigen huis met 1-0 de baas. Wim Landman stond tussen de palen en redde stijlvol alles wat mogelijk was. In 1956 - Abe had Heerenveen voor Enschede verruild en was al diep in de dertig - wreekte zijn gebrek aan activiteit zich tegen een overrompelend Iers elftal, dat met 4-1 won. Max Merkel was toen bondscoach en ergerde zich kapot.

Een tijdlang troffen we de Ieren niet meer, maar in 1980 tijdens de kwalificatie voor het wereldkampioenschap was het in Dublin weer zover. De Ieren telden een paar uitgesproken cracks: Liam Brady, de gave technicus en Frank Stapleton, de goaltjesdief. Tahamata scoorde voor Oranje, maar de Ieren wonnen met 2-1. Stapleton vond het net in de return in Rotterdam. Via Arnold Muhren was Nederland op 2-1 gekomen, maar de latere centrumspits van onder meer Arsenal maakte er 2-2 van en dat kostte ons de eindronde.

Intussen was het tijdperk Van Basten-Gullit-Koeman aangebroken. Dat was nodig ook. In Dublin stond onze te verdedigend opererende formatie met 2-0 achter, toen een kleine rebellie van de spelers coach Rijvers ertoe bracht alles op de aanval te gooien. Van Basten en Gullit bepaalden de eindstand op 3-2 voor Oranje.

Met gemengde gevoelens denken we terug aan 1988, de eindronde van het Europees Kampioenschap in Duitsland. Nederland werd Europa's nummer 1, maar de Ieren hadden ons bijna in de tang. Acht minuten voor tijd stond het in Gelsenkirchen nog 0-0. De voor Erwin Koeman ingevallen Wim Kieft zorgde met een kopbal, waaraan Koning Voetbal zijn zegen had gegeven, voor 1-0 winst.

En nu: Liverpool. Veel veteranen in de Ierse ploeg, gepokt en gemazeld in de fysiek harde Engelse competitie. Prima mentaliteit, eenvoudig spelconcept, technisch matig. Het is een slag die op mentaliteit moet worden gevoerd en op techniek en Ajax-combinatievermogen moet worden gewonnen. Er was ooit een Engelse sportjournalist die voortdurend uitslagen voorspelde en erbij vertelde dat hij, mocht zijn profetie niet uitkomen, bereid was zijn hoed op te eten ('My brown bowlerhat'). Ik loop altijd blootshoofd.

    • Herman Kuiphof