Armoedige vertoning van paars

In de strijd om het nationaal inkomen staan de minstbedeelden al een aantal jaren op verlies. In de periode 1983-1994 zag de armste veertig procent van de gezinnen zijn aandeel in het totale besteedbare inkomen van Nederland krimpen van 22,4 tot 18,9 procent. In diezelfde periode groeide het aandeel van de meest welvarende veertig procent van de gezinnen van 59,4 tot 62,8 procent. Hoewel de inkomens in ons land nog altijd gelijkmatiger zijn verdeeld dan in veel andere industrielanden het geval is, onderstreept het afnemende inkomensaandeel van de minstbedeelden dat in steeds meer gezinnen schraalhans keukenmeester wordt.

In feite is de ongelijkheid van de bestedingsmogelijkheden de afgelopen paar jaar nog sterker toegenomen dan cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) suggereren. Een belangrijke oorzaak is dat de kosten van levensonderhoud voor gezinnen met een laag inkomen sneller stegen dan voor de beter bemiddelden. Mensen met een smalle beurs zijn hoofdzakelijk huurders. Sinds het eind van de jaren tachtig zijn de huurlasten sterk opgelopen. Zo wilde het kabinet huishoudens die in verhouding tot hun inkomen goedkoop wonen bewegen naar een koopwoning te verhuizen. Dit beleid is een doorslaand succes geworden. Bijna de helft van de bevolking heeft inmiddels een eigen huis. Aan de groeiende groep van eigen-woningbezitters, die grotendeels samenvalt met de rijkste zestig procent van de gezinnen, valt jaarlijks vijf miljard gulden subsidie toe, omdat eigenaar-bewoners een veel te laag bedrag aan huurwaarde bij hun belastbaar inkomen hoeven op te tellen. Terwijl de woonlasten van veel eigenaren op dit moment bovendien zakken als gevolg van de dalende hypotheekrente, zien de armste huishoudens hun huur ook dit jaar weer flink stijgen. Mensen met lagere inkomens worden daarnaast in verhouding zwaar getroffen door stijgende milieuheffingen (vaak een gelijk bedrag per gezin, ongeacht de draagkracht).

Om nog een tweede reden is de inkomensongelijkheid recent sterker toegenomen dan de cijfers van het CBS suggereren. De statistici gebruiken gegevens van de Belastingdienst. Voor 1993 en 1994 zijn dit voorlopige cijfers, met name omdat de aangiften van de meeste zelfstandigen en vrije-beroepsbeoefenaren nog niet door de fiscus zijn verwerkt. Juist de winstinkomens van zelfstandigen zijn in 1994 sterk gestegen (met twintig procent). Omdat de aangiften van deze groep nog niet in de CBS-cijfers zijn begrepen, wordt de groei van de hoge inkomens fors onderschat.

Waarom neemt de inkomensongelijkheid al jaren toe? Aan de ene kant worden de verschillen tussen door de economisch actieven verdiende inkomens groter. De winsten van zelfstandigen zijn geëxplodeerd; een deel van de werknemers heeft zijn salaris het afgelopen decennium eveneens flink zien stijgen. Anderzijds heeft het door de overheid gevoerde beleid bijgedragen aan de toegenomen inkomensongelijkheid. Het wettelijk minimumloon is jarenlang niet verhoogd. Al meer dan tien jaar wordt drastisch bezuinigd op sociale uitkeringen en allerlei subsidies. Daarnaast zijn belastingen op consumptie steeds belangrijker geworden. En die bestedingsbelastingen drukken in verhouding wat zwaarder op de laagste inkomensgroepen. Tegelijkertijd zijn de toptarieven van de inkomstenbelasting in 1990 verlaagd en zijn de vrijstellingen in de vermogensbelasting aanzienlijk verruimd.

Hoewel de PvdA traditioneel opkomt voor de lagere-inkomensgroepen, is de inkomensongelijkheid blijven toenemen, ook nadat de sociaal-democraten eind 1989 tot het kabinet zijn toegetreden. Tussen 1983 en 1991 daalde het inkomensaandeel van de armste twintig procent van de gezinnen met 1,4 procentpunt. In de eerste helft van de jaren negentig brokkelde het aandeel van de armsten met nog eens 0,4 punt af; in 1994 bedroeg het nog maar 6,2 procent van het totale besteedbare nationale inkomen. Inmiddels beseft het kabinet dat er iets moet gebeuren. In 1996 wordt de koppeling van de sociale uitkeringen aan de CAO-lonen in ere hersteld. Dat is mogelijk nu het aantal uitkeringsontvangers is gezakt beneden de 82,6 per honderd werkenden. Deze inactieven/actieven-ratio ligt in Nederland nog altijd schrikbarend hoog. Maar de Sociale Nota 1996 toont aan dat de i/a-ratio in Nederland al in 1992 een stuk lager was (82,9) dan in Duitsland (88,4) en België (106). Bovendien is dit verhoudingsgetal sinds 1985 alleen in Nederland licht gedaald, terwijl het bij de oosterburen met bijna drie punten, en bij de zuiderburen zelfs met bijna acht punten is gestegen. De langzaam verbeterende verhouding tussen werkenden en uitkeringsontvangers weerspiegelt de in verhouding sterke banengroei die sinds het midden van de jaren tachtig in Nederland optrad.

Twee weken geleden publiceerde minister Melkert zijn nota De andere kant van Nederland. Dit stuk bevat een overzicht van verschillende maatregelen die het kabinet tegen de groeiende armoede heeft genomen of wil nemen. De meest in het oog springende actie is een extra verhoging van de ouderenaftrek in 1997 en 1998. Het gaat hier om de in 1995 ingevoerde speciale belastingvrije som voor ouderen, die met hun inkomen niet boven de eerste tariefschijf uitkomen. Het gevolg van de aangekondigde ingreep is dat het sociaal minimum voor ouderen over twee jaar netto veertig gulden per maand hoger is dan de laagste uitkering voor mensen beneden de 65 jaar. Invoering van twee sociale minima (voor oud en jong) is een oude wens van de VVD. Een lagere minimumuitkering zal 65-minners volgens de liberalen prikkelen om eerder de arbeidsmarkt op te gaan. Maar voor oudere werklozen en arbeidsongeschikten is dat helaas vaak theorie.

Niet alleen zal de kloof tussen arm en rijk de komende jaren verder toenemen, ook de inkomensongelijkheid tussen ontvangers van een minimumuitkering wordt groter. Herverdeling tussen de armen: een nieuwe trend en een armoedige vertoning van paars.