Universiteit moet technicus leren wat minder timide te zijn

Technici zijn dikwijls wat wereldvreemde en onhandige types, zo wil het cliché. Daar zit een kern van waarheid in, aldus Maarten van Bottenburg, met vervelende gevolgen voor de arbeidsmarkt. Wil het bedrijfsleven de technische studies aantrekkelijker maken, dan moeten zij een bredere opzet krijgen, met meer mogelijkheden tot maatschappelijke ontplooiing.

Tijdens mijn studietijd betrok een eerstejaars student natuurkunde, genaamd Theo, een kamer in het studentenhuis waar ook een vriend van mij woonde. Op de eerste avond na zijn verhuizing vroeg Theo hem of hij een pak sinaasappelsap in de (gemeenschappelijke) ijskast mocht zetten. “Natuurlijk”, antwoordde mijn vriend, “maar zet wel even je naam erop”. De volgende ochtend stond er met grote letters THEO op de ijskast.

Dit verhaal doet het in gezelschap nog altijd goed. Het sluit aan bij een algemeen beeld van technici als wereldvreemde, sociaal onhandige types. Hoewel zwaar overtrokken is dit beeld niet geheel uit de lucht gegrepen. Ook in het bedrijfsleven klaagt men over een gebrek aan bredere maatschappelijke vaardigheden onder technische studenten. Veel afgestudeerde ingenieurs zouden een gebrek aan zelfstandigheid vertonen en niet in staat zijn over de grenzen van hun vakgebied heen te kijken. De meeste grote bedrijven zouden met dit probleem kampen.

Veel aandacht krijgt dit probleem echter niet. Het wordt geheel ondergesneeuwd door de belangstelling voor een veel nijpender probleem, namelijk het tekort aan technische studenten. Dit tekort aan technici begint dusdanige vormen aan te nemen, dat president-directeur Timmer van Philips dit probleem onlangs zelfs urgenter noemde dan de concurrentie met Aziatische lage-lonenlanden. Terwijl voor de meeste universitaire studies het aantal studenten in het afgelopen decennium sterk is gegroeid, is de toeloop bij wiskunde, elektrotechniek en scheikunde juist flink gedaald.

In de aanpak van dit problematische tekort leggen overheid en bedrijfsleven het accent op voorlichting en financiële prikkels. Veel succes is hiermee nog niet geboekt. De voorlichtingscampagne 'Kies Exact' (1987-1989) wordt alom als een mislukking beschouwd. En verlenging van de studieduur plus een hogere studiefinanciering lijken evenmin effect te sorteren.

Een ommekeer in de teruglopende studentenaantallen in de technische en exacte wetenschappen is mijns inziens ook niet te verwachten zolang dergelijke maatregelen niet zijn ingebed in een breder beleid dat uitgaat van de leefwereld van de scholieren die de studiekeuzes maken. Financiële prikkels en verlenging van de studietijd hebben alleen zin als zij inhaken op de wens tot zelfontplooiing en het belang van de statuscompetitie onder jongeren.

De keuze voor een studie wordt gemaakt in de laatste jaren van het middelbaar onderwijs, wanneer het rondkomen van een beperkt maandbedrag of het vinden van een baan nog geen actuele problemen zijn. Of een studiebeurs nu 600 of 900 gulden per maand bedraagt, laat scholieren koud.

Evenzo vormt de toekomstige kans op een baan bij de studiekeuze geen doorslaggevende factor. De meesten beseffen nog niet wat het betekent om rond je dertigste kansloos op de arbeidsmarkt te zijn. En voor zover zij in de media daarvan voorbeelden voorgeschoteld krijgen, zien zij voor zichzelf, ongeacht hun studiekeuze, een dergelijke toekomst niet in het verschiet liggen.

Zelfontplooiing wordt belangrijker geacht. Dat betekent dat scholieren willen doen waar ze goed in zijn en waar hun voornaamste interesses naar uitgaan. Waar zijn ze goed in? Gemiddeld genomen hebben leerlingen op de middelbare school minder problemen met vakken als geschiedenis, maatschappijleer, Nederlands en Engels dan met wiskunde, scheikunde en natuurkunde. Uitgaande van de gedachte dat je moet doen waar je goed in bent, liggen voor de meesten dan ook letteren of één der sociale wetenschappen meer voor de hand dan bouwkunde of chemie.

Waar gaat hun interesse naar uit? De meeste leerlingen zijn meer geïnteresseerd in sport, media, cultuur, reizen, commercie, computers en actuele maatschappelijke en politieke kwesties dan in technische aangelegenheden. Zij willen maatschappelijke vaardigheden leren en toepassen, bijvoorbeeld via rechten of massacommunicatie, of via marketing- en managementopleidingen en verwachten niet dat deze vakken in een technische opleiding aan bod komen. Techniek, zoals zij dat kennen van natuurkunde en scheikunde heeft voor hen iets stoffigs, iets saais.

Ten minste zo belangrijk als zelfontplooiing is de onderlinge statuscompetitie. De onderlinge relaties zijn voor scholieren in het voortgezet onderwijs van buitengewoon belang. Hoor je er wel bij? Met wie ga je om? Heb je een relatie en zo ja, met wie? In deze statuscompetitie wordt de hiërachie bepaald door bijvoorbeeld kleding, muziek, televisie, sportkwaliteiten en uitgaansgedrag.

De rapportcijfers doen er nauwelijks toe. Sterker nog, leerlingen met hoge cijfers in één van die 'duffe' vakken worden al snel 'leerpikkies' genoemd als zij zich naast hun leerwerk weinig betrokken tonen bij de problemen die in deze leeftijdsfase het meest spelen: de relatie tot elkaar en de verhouding tot ouders en leraren.

Van de leerlingen die op allerlei manieren aan de populariteitscompetitie op de scholen meedoen, staan er maar weinigen sterk genoeg in hun schoenen om zich van deze statusfactor niets aan te trekken. De meesten kiezen dus niet voor een studie waarin zij met types als Theo worden geassocieerd. Voor een deel blijven dus de jongens over die het vermogen of de interesse niet hadden om zich op de middelbare school sterk in de populariteitscompetitie te mengen. Hun schoolprestaties waren altijd goed, maar zij hebben nooit tot de populaire incrowd van de leerlingen behoord. En omdat zij minder actief met de statushiërarchie zijn bezig geweest, hebben zij zich ook bedeesder opgesteld, zijn zij minder getraind in discussiëren, minder geoefend in assertiviteit en hebben zij in geringere mate geparticipeerd in buitenschoolse activiteiten.

Dit biedt wellicht een verklaring voor de klacht dat veel technische studenten te specialistisch zijn en geringere communicatieve vaardigheden hebben. Het lijkt er echter tegelijkertijd op dat dit beeld van technici hardnekkiger is dan de werkelijkheid rechtvaardigt. De succes stories van vele directeuren van grote ondernemingen met de titel 'ir.' worden bij deze stereotypering gemakshalve even opzij gezet.

Zou wellicht een vleugje jaloezie de reden zijn dat stereotype voorbeelden van de 'wereldvreemde technicus' zo graag worden aangehaald? In de loop van de universitaire studie en de maatschappelijke carrière komen velen er achter dat diegenen die voor een technische studie hebben gekozen betere perspectieven hebben en een hogere positie bereiken dan zijzelf. De statushiërarchie wordt op zijn kop gezet omdat functie en inkomen belangrijker worden dan de factoren die op de middelbare school een rol speelden. Theo mag zijn sociale onhandigheid nog niet geheel kwijt zijn, hij woont bepaald niet slecht en zijn auto mag er zijn...

Voorlichting, een verlenging van de studie, of een verhoging van de studiebeurs, moeten niet het hoofdmiddel zijn om de technische studies uit het slop te halen. Wil het bedrijfsleven deze studies aantrekkelijker maken, dan moeten deze studies een bredere opzet krijgen, met meer mogelijkheden tot maatschappelijke ontplooiing. Technische opleidingen moeten sterker verweven worden met moderne, aansprekende vakken als management, bedrijfskunde, massacommunicatie, cultuurwetenschappen en milieukunde.

Evenzo moeten op de middelbare scholen de grenzen tussen enerzijds natuurkunde en scheikunde en anderzijds maatschappijleer en geschiedenis diffuser worden. Daarnaast moet de sociale status van de technische studies verhoogd worden. Naast de opleiding moet de universiteit of hogeschool in samenwerking met het bedrijfsleven en de studenten een breed scala aan activiteiten ontwikkelen die hieraan kunnen bijdragen. Studenten moeten niet alleen in staat worden gesteld om tijdens stages technische functies te vervullen, maar moeten ook de gelegenheid krijgen andere facetten van organisaties te leren kennen. Toon aan dat technici binnen bedrijven kunnen doorstromen om hun carrière als topmanager te beëindigen. Geef ze de kans tijdens hun studie internationale congressen of buitenlandse bedrijven te bezoeken. Organiseer op de technische hogescholen en universiteiten spraakmakende lezingen en cursussen door bekende politici, topbestuurders uit het bedrijfsleven en internationaal befaamde wetenschappers. Leg het mooiste sportcomplex bij deze opleidingsinstituten aan en profileer Delft, Eindhoven en Enschede als studentensportsteden. Zorg hier tevens voor een bloeiend uitgaansleven. Dan kunnen verhoging van de studiefinanciering en verlenging van de studietijd zinvolle aanvullende maatregelen zijn die de studenten in staat stellen volop van deze studiemogelijkheden te profiteren.

En wat ten minste zo belangrijk is: loop met de getroffen maatregelen te koop: “Op de TH krijg je een allround-opleiding, vind je de beste faciliteiten voor studie, sport en cultuur, zie je wat van de wereld en verzeker je jezelf van een boeiende baan met een uitstekend inkomen.”

Als dit beeld kan worden overgedragen op scholieren, bijvoorbeeld door dynamische Nederlandse topbestuurders (ir.), worden deze studies ook aantrekkelijker voor meisjes, hetgeen het imago verder kan bevorderen dat technici volop in de wereld staan. Dan slaat het bedrijfsleven twee vliegen in één klap: niet alleen mag dan verwacht worden dat meer studenten een technische studie zullen overwegen, ook zullen de technici die de arbeidsmarkt instromen zich sociaal vaardiger tonen.