Richard Goode speelt exemplarisch klassiek

Concert: Richard Goode, piano. Programma: werken van Bach, Mozart, Brahms en Beethoven. Gehoord 9/12 Concertgebouw Amsterdam.

De Amerikaanse pianist Richard Goode, die houdt van klassieke programma's op de klassieke Steinway, speelde zaterdag in de serie Meesterpianisten in het Amsterdamse Concertgebouw werken van Bach, Mozart, Brahms en Beethoven. Goode is geen theoreticus, maar een musicus die recht vanuit het hart communiceert met zijn publiek. Zijn spel heeft iets ouderwets in de goede betekenis van het woord: voor Goode is pianospelen geen eigentijdse proeve van partituurgetrouwheid, maar een metafysische aangelegenheid. In de traditie van de grote romantische klavierleeuwen, ontsnapt er geen noot aan zijn vingers waaraan hij niet een diep doorvoelde emotionele waarde weet te verlenen. Voor Goode heeft elke componist zijn eigen klank, maar in algemene termen koppelt hij een rijk en zangerig toucher aan een genuanceerde intellectuele analyse.

Met een verfrissende muzikale onstuimigheid stortte Goode zich aan het begin van zijn recital op de Vijfde partita van J.S. Bach. In de snelle delen verblufte Goode met zijn vermogen om ook de kleinste 'deeltjes' van Bachs spirituele muziek met een onuitputtelijke energie te laden, terwijl hij in de langzame delen wist te ontroeren met zijn tedere lyriek.

Als een eruptie van levenslust en spiritualiteit klonk daarna ook Goode's visie op Mozarts Sonate in a, die deed denken aan een bloesemboom van Van Gogh onder een azuurblauwe zomerlucht. In zijn interpretatie van twee Intermezzi en twee Capriccio's van Brahms belichtte Goode het weemoedige en peinzende, alleen de Capriccio in C op. 76 nr. 8 was van een orkestrale allure.

Daarna bewees Goode zijn absolute meesterschap aan het klavier in twee weergaloze vertolkingen van Beethoven. Tegelijkertijd robuust en toch optimaal lieflijk en subtiel, speelde Goode de 'A Thérèse'-sonate. Ook al is deze sonate in formeel opzicht berucht om zijn weinig spectaculaire kwaliteiten, Goode bleek in staat in elke frase drama en contrastwerking te herkennen.

Als een magistrale eredienst aan al datgene wat het menselijk verstand te boven gaat klonk daarna Beethovens zwanezang, de Sonate in c, op. 111, die Goode opvatte als een culmineren van grimmige sensualiteit in onthechte tederheid.