Otis Redding (1941-1967); Het Het geruis van de branding

De lijst van popmusici die voortijdig en op het hoogtepunt van hun roem overleden, is lang. Ze hebben allemaal een 'zwanezang', een laatste, veelbetekenend nummer. In deze serie, waarbij de publikatiedag samenvalt met de sterfdatum van de musicus, vandaag Otis Redding, die 28 jaar geleden overleed.

Het was slecht weer in Cleveland, Ohio, op 10 december 1967. Zo slecht zelfs dat alle vliegtuigen aan de grond moesten blijven. Maar de Amerikaanse soulzanger Otis Redding moest en zou Cleveland verlaten om in Madison, Wisconsin, op te treden. Hij had een eigen vliegtuigje en was dus niet tegen te houden. Om 3 uur 28 's middags verongelukte het toestel en kwam in het ijskoude water van het Monona-meer terecht, even buiten Madison. Met Otis Redding kwam ook zijn begeleidingsgroep The Bar Kays om, met uitzondering van Ben Cauley, de enige overlevende van het ongeluk.

Otis Redding overleed waarschijnlijk niet op het hoogtepunt van zijn roem, maar ervoor. Het grote succes moest nog komen en lag ook binnen handbereik. In juni 1967 was Redding met een spectaculair optreden op het Monterey popfestival ook onder het blanke publiek bekend geworden: hippies begonnen zijn platen te kopen. “Otis Reddings optredens vormen het hoogste niveau van rock 'n' roll dat tot nu toe is bereikt. Otis Redding is rock 'n' roll”, schreef de criticus John Landau naar aanleiding van Monterey.

Otis Redding zelf had na Monterey ook het gevoel dat zijn carrière en werk in een nieuwe fase waren beland. Tot Monterey was hij met zijn soul, met als voornaamste onderwerp de liefde, vooral populair bij het zwarte publiek. Nu hij ook door Amerikaanse blanken was ontdekt, vond hij dat hij met iets nieuws moest komen. “Anders ga ik de mensen vervelen”, zei hij tegen zijn vrouw die van de veranderingen niets begreep.

In de maanden na Monterey luisterde Otis Redding naar Sergeant Pepper's Lonely Hearts Club Band van The Beatles en begon hij nummers te schrijven die volgens hem op de psychedelische Beatle-muziek leken. Ze stuitten vooral op onbegrip bij degenen aan wie hij ze liet horen. Tot opnamen kwam het niet, omdat Otis Redding in de herfst van 1967 aan zijn stembanden werd geopereerd. Maar zodra hij weer kon, begon hij in december weer met opnemen. Dertig nummers had hij klaar, waaronder een die hij die zomer na het horen van The Beatles had gemaakt: '(Sitting On) The Dock Of The Bay', het nummer dat hij twee dagen voor zijn ongeluk voltooide.

In zijn boek Sweet Soul Music beschrijft Peter Guarlnick hoe groot de weerstand tegen dit nummer was. Jim Stewart, de baas van het soullabel Stax/Volt waarbij Redding onder contract stond, wilde de plaat niet uitbrengen. Het had niets te maken met de soul die Stax/Volt tot dan toe had gebracht, vond hij. Stewarts houding is niet helemaal onbegrijpelijk. '(Sitting On) The Dock Of The Bay' lijkt weliswaar niet op een Beatle-nummer, maar het is ook geen ouderwets soulnummer dat aanleiding gaf tot gekerm en geschreeuw, iets waarin Redding juist zo goed was. Reddings zwanezang begint met het geruis van de branding, vermengd met enkele bas- en gitaartonen van Booker T and the MG's, het huisorkest van Stax/Volt. Later komen daar piano, elektrische gitaar en, zoals het hoort in een soulnummer, blazers bij, maar steeds blijft de muziek ingetogen, kabbelend bijna. Het moet vooral de tekst zijn geweest die Stewart deed besluiten het nummer niet uit te brengen (hoewel hij later tot inkeer kwam en zo Otis Redding postuum zijn eerste en enige nummer 1-hit bezorgde).

'(Sitting On) The Dock Of The Bay' is geen verontwaardigd nummer over een mislukte liefde, maar een mijmering van een rusteloos man. “Sitting in the morning sun / I'll be sitting when the evening come / Watching the ships roll in / And I'll watch them roll away again”, zo luiden de eerste regels. In het tweede couplet wordt iets meer bekend over de ik-figuur: hij komt uit Georgia en is naar San Francisco gereisd. En dan klinken de woorden die Stewart waarschijnlijk deden denken dat hij met een onverkoopbaar produkt had te maken en die Reddings zwanezang ook zo navrant maken: “I have nothing to live for / Look like nothing's gonna come my way.” Niets verandert, mijmert Redding verder, alles blijft hetzelfde en hij ook. En dus blijft de eenzaamheid hem achtervolgen, zelfs nu hij over het hele continent naar de rand van Amerika is gevlucht. Er zit niets anders op dan bij de haven aan de baai van San Francisco te blijven zitten. En dan doet Redding iets dat deze zwanezang bijna te erg maakt om naar te luisteren: anders dan gewoonlijk schreeuwt hij niet, kermt hij niet en ook smeekt hij niet. Hij fluit en zijn fluiten raakt weer vermengd met het geluid van de golven waarin twee dagen later zijn vliegtuig zou verdwijnen.