Op de rand van de munt

In Den Haag is het vertrouwen in de politieke intuïtie van Helmut Kohl heel groot, misschien wel groter dan in zijn eigen land. Alleen al daarom verdient zijn regeringsverklaring van vorige week alle aandacht. Hij zei: “De Europese vereniging is en blijft voor Duitsland een vraagstuk van existentiële betekenis. Zij is - en ik herhaal het heel bewust - in werkelijkheid ook een kwestie van oorlog en vrede”. Deze dreigende zinnen maakten indruk.

Kohl is als geen ander beducht voor het gewicht van Duitsland en de jaloezie die dat bij andere landen oproept. Hij raadt de Europese landen een methode aan om zich te wapenen tegen de overmacht van zijn land. Kohl is als de reus uit Gullivers Travels, maar dan één die zichzelf met duizenden draden wil vastketenen. Hij ziet in de monetaire unie het middel bij uitstek om de verstrengeling van de Europese naties voorbij het point of no return te drijven.

Hoe vaker het woord 'onomkeerbaar' valt met betrekking tot de Europese eenwording, hoe zekerder men ervan kan zijn dat de politieke klasse doordrongen is geraakt van de kwetsbaarheid van de hele onderneming. Misschien was die formulering nog bruikbaar in de tijd van de Koude Oorlog, oog in oog met het communisme dat óók onomkeerbaar werd geacht. De val van de Muur heeft echter duidelijk gemaakt dat de term 'onomkeerbaar' weinig meer is dan een bezweringsformule. Het is een merkwaardige metafoor in een tijd dat iedereen ervan doordrongen is dat geschiedenis op de tast wordt gemaakt. Hoe verhoudt het 'onomkeerbaar' van de Europese eenwording zich tot de trial and error die elke democratie eigen is?

Velen hebben het Kohl nagezegd: juist in deze onzekere tijd hebben we weinig anders dan de vastigheid van de monetaire unie. Toch is het een open vraag of het vastklampen aan de afspraken over de ene munt een vooruitziende blik verraadt of juist een terugslag teweeg zal brengen.

In Frankrijk wordt deze dagen een eerste antwoord gegeven. Natuurlijk heeft de Franse opstandigheid zijn eigen trekjes. Zo is de heftige botsing vooral te wijten aan een heel gecentraliseerd regime, dat weinig tegenmachten kent. De bekende commentator Alain Duhamel schrijft: “De zwakte van het parlement, de historische neergang van de vakbonden, vergemakkelijken allerminst de taak van de regering, maar sluit deze juist op in een gevaarlijk isolement tegenover de publieke opinie” (Le Point, 9 december).

Toch hebben de gebeurtenissen een algemenere strekking. De aanpassing van de samenleving aan de vereisten van de wereldmarkt woelt vele gevestigde zekerheden los en kan gemakkelijk omslaan in wrok tegen de politieke bovenlaag. Zeker als die elite zich beroept op een monetaire dwang die 'ergens ver weg' in Europa is afgesproken.

Ook in Nederland is dat risico niet uitgesloten, omdat op geen enkele manier de draagwijdte van de monetaire unie - die het parlement van essenti-ele bevoegdheden berooft om de nationale begroting in te richten - aan de burgers is voorgelegd of zelfs maar is uitgelegd. Europa 'maken' achter de rug van de kiezers om is een permanente uitnodiging tot populisme, helemaal als Europa wordt vereenzelvigd met koude sanering.

De monetaire unie is de enige harde afspraak in het Verdrag van Maastricht en wordt daarom door de Duitse en Nederlandse regering gezien als het instrument om de integratie 'onomkeerbaar' te maken. Bij gebrek aan andere overtuigende symbolen - de open grenzen van Schengen of een Europese diplomatie in Bosnië of het parlement van Straatsburg als uiting van Europese volkswil - is alle nadruk komen te liggen op die ene munt.

Daardoor is de munt die gedacht was als de kroon op het werk van de Europese integratie, opeens de reddingsboei voor een onrustig continent. De euro is de drager geworden van politieke vergezichten. Maar de essentie van Europa ligt elders: een sterke munt drijft op vertrouwen van markten; het omgekeerde is veel minder zeker: een sterke munt kan vertrouwen van het publiek opwekken.

In heel andere bewoordingen schrijft Szász, oud-directeur van De Nederlandsche Bank, iets vergelijkbaars in een studie voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid: “De werkelijke argumenten voor een gemeenschappelijke munt zijn niet van economische maar van politieke aard. De economische argumenten zijn zo onzeker, en de waarschijnlijke economische en politieke kosten van de totstandbrenging van een gemeenschappelijke munt zo hoog, dat de economische voordelen niet de doorslag kunnen geven.” Szász ziet de risico's: “Beginnen zonder toereikende economische en politieke basis houdt een grote kans op mislukking in. Mislukken is schadelijker dan niet beginnen.”

Bankiers zijn vast nog voorzichtiger dan generaals. Maar wie de Europese Unie overziet weet dat de economische toenadering tussen de lidstaten nog niet ver genoeg is om deze drastische stap naar een monetaire unie te wagen. Ook de politieke eenwording van Europa heeft meer tijd nodig, zoveel heeft het drama van Bosnië wel getoond. Het Europese onvermogen, dat pijnlijk is blootgelegd door de Amerikanen, ligt nog vers in het geheugen.

In deze omstandigheden via een gemeenschappelijke munt proberen om de gang naar Europa te bespoedigen zou veel schade kunnen aanrichten, alle goede bedoelingen ten spijt. De Britse minister van Buitenlandse Zaken Rifkind merkte op: “Kijk, ik begrijp wel dat Helmut Kohl beweert dat de eenheidsmunt Europa zal verenigen, maar het kan naar mijn idee evengoed wezen dat de kanselier van de Duitse eenheid de man wordt die Europa zal splijten” (de Volkskrant, 8 december). Ook dat is een politieke intuïtie, maar één waarvoor we ons afsluiten. Ach, die Britten!

Toch wordt steeds vaker gepleit voor uitstel van de invoering van de monetaire unie. Misschien is deze roep om uitstel ingegeven door de angst om het vertrouwde achter te laten. Dat kan zo zijn, maar dan is het in ieder geval de vrees van een snel groeiend aantal critici, ook in Duitsland. The Economist - voorstander van een EMU - stond afgelopen week bol van de scepsis over de mogelijkheden van een monetaire unie in 1999.

Het debat in Nederland over de monetaire unie valt op door gemakzucht en geloof in de oosterburen. Het zou kunnen zijn dat de intuïtie van Kohl allereerst Duitsland betreft en daarom niet zonder meer maatgevend is wanneer de ongewisse toekomst Europa het onderwerp van zijn verkenningen vormt. Gezien de dramatische inflatie die mede tot de machtsgreep van Hitler leidde, is de morele betekenis van een stabiele munt in Duitsland heel begrijpelijk. Het is echter onwaarschijnlijk dat de relatie van monetaire eenwording en Europese veiligheid in andere landen zo'n lading krijgt en daarom moeten we ons oor ook elders te luisteren leggen.

Een kwestie van oorlog en vrede, dat zijn grote woorden. Zo bezien zou de Euromunt de beeltenis van de Duitse filosoof Immanuel Kant moeten dragen. Op de rand zou dan Zum ewigen Frieden staan, de titel van zijn filosofische ontwerp uit 1795. Helaas wordt de vrede niet gekocht met een munt. De werkelijkheid is een andere: het Europa van Maastricht is vanaf het begin getekend door oorlog. Het uiteenvallen van Joegoslavië verdient eerder het predikaat 'onomkeerbaar' dan de moeizame poging om West-Europa aaneen te binden.