Op de Brabantse zandgrond had boer Isidoor het goed

AARLE-RIXTEL, 11 DEC. In het gezin waarin varkensboer Jan Nooijen in het Oostbrabantse Aarle-Rixtel opgroeide, waren ze met acht kinderen. Vader Isidoor had acht hectare grond en acht koeien. Verder waren er honderd kippen, tien zeugen en twee beren.

Uit de omgeving werden de zeugen gebracht om te worden gedekt. Daar kreeg vader Nooijen per dekking twee gulden voor. Erremoei was er niet geweest. Men at van het zelf geslachte varken, bakte zijn eigen brood en de aardappels en groenten kwamen van het eigen land.

Veertig jaar geleden, toen zoon Jan elf jaar was, waren de wegen in de buurtschap Opstal, waar de boerderij staat, nog zandwegen. Het boerenbedrijf dat hij van zijn vader overnam (“Jan, gij zijt de oudste, gij wordt de boer”) is nu nog het enige in de directe omgeving. Op de weg voor de boerderij wijst hij om zich heen en noemt de tien collega's die de laatste twintig jaar verdwenen. De boerderijen werden gerestaureerd tot aanzienlijke woonhuizen. Er wonen nu vaak mensen in die niet van “Ale”, zoals Aarle-Rixtel wel wordt genoemd, zijn. “Burgers”, heten ze in boerenkringen. Als ze op het eigen land gaan mesten, bellen ze de buurvrouw op zodat die haar was kan binnenhalen, want ze willen met hun omgeving leven in pais en vree.

De velden zijn deze vrijdagmorgen berijpt. Voor de boerderij staat het bord dat men in deze dagen van opstand op veel plaatsen ziet: “Den Haag, we zijn het zat.” Een vrouw met een rood hoofddoekje haalt de post uit de brievenbus. Het is boerin Riek (52). In een vitrine staan tientallen bekers die Jan Nooijen en zijn kinderen wonnen met dressuur. In een stal achter het huis staan acht paarden. In de gang hangt het gecalligrafeerde diploma van de Noordbrabantse christelijke boerenbond, de machtigste standsorganisatie in het land waarvan Jan lid is. Hij kreeg het na het beëindigen van zijn lagere landbouwschool. In de zitkamer staat het spandoek dat Riek onlangs meenam tijdens de boerinnendemonstratie in Den Haag. “Mevrouw De Boer (de minister van milieu, M.P.). Van vrouw tot vrouw, laat ons niet staan in de kou”, is erop te lezen.

Pagina 3: Boerengemeenschap in het Brabantse verloor geleidelijk aan haar eenheid

Het is vandaag rustig aan het front. Er zouden geen acties zijn met tractoren op de wegen, maar dat is niet helemaal waar. De twee dagen ervoor waren de twee zonen en de dochter, die met hun vader een maatschap vormen, met de vrachtwagen en de tractor naar de autosnelweg Eindhoven-Venlo bij Asten geweest waar een blokkade was uitgevoerd. Boer Jan had ze 'gestimuleerd' om actie te voeren, maar “de blokkade keurde ik niet goed.” Zelf was hij met zijn vrouw thuisgebleven, want de 400 fokzeugen, de 200 vleesvarkens en de schare van tientallen biggen kun je niet alleen laten. Zo groot is het bedrijf nu. Toen ze 28 jaar geleden trouwden begonnen ze met tien koeien en 25 zeugen.

De boerengemeenschap van Aarle-Rixtel was toen nog in zichzelf gekeerd. Men trof elkaar op avonden van de Boerenbond, zoals de NCB in de volksmond heet, en van de r.k. Boerinnenbond of tijdens de door de hoofdonderwijzer geregisseerde toneelvoorstellingen. “We hadden niks dan een fiets, dus we gingen niet ver naar een meid”, aldus Jan. Van mestoverschotten, fosfaatheffingen, mestproduktierechten, mineralenboekhouding, onderhouds- of evenwichtsbemesting; men had er nog nooit van gehoord. Het was nog niet zo lang geleden dat elk dierlijk uitwerpsel als een kostbaarheid werd opgeslagen in de potstal.

In Aarle-Rixtel werd vroeger vooral veel rogge verbouwd. Het boek Van Ricstelle tot Aarle-Rixtel meldt dat de boerenbedrijven kort na de Tweede Wereldoorlog vooral gemengde bedrijven waren. “Er was een directe verhouding tussen het aantal beesten en het oppervlak aan akkerland”, zoals er staat geschreven. In het midden van de vorige eeuw waren er 150 varkens. In 1919 waren er drie politieke partijen, waarvan er twee uit uitsluitend boeren bestonden. Tot 1931 waren de wethouders boeren. Nu zijn de boeren in de minderheid. De NCB-afdeling heeft niet meer dan 75 leden, waarvan er nog maar 40 een boerenbedrijf runnen. De voorzitter van “hun” Rabobank en van de NCB-afdeling is niet eens meer boer, maar een makelaar-taxateur.

Vorig jaar stemde Jan voor het eerst niet op het CDA. Het werd de VVD, die nu in het 'paarse' kabinet medeverantwoordelijk is voor de integrale notitie mest- en ammoniakbeleid waartegen de boeren zo te hoop lopen. Over de VVD-stem bestaat grote spijt: “Ook die houdt je kei voor de gek”, aldus Jan.

In het hechte katholieke politiek-agrarische front van CDA en NCB zijn bressen geslagen, ook in het gezin Nooijen. De oudste zoon sloot zich aan bij de veel militantere Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV) van de Achterhoekse varkensboer Wien van den Brink. Ook vader Jan twijfelt aan zijn NCB-lidmaatschap: “De NCB heeft te veel toegegeven aan Den Haag. Voorzitter Latijnhouwers heeft te veel petten op. Als je voorzitter bent van een standsorganisatie, dan heb je voor de belangen van je leden op te komen en voor niks anders. Als we geen betere voorman krijgen, dan kunnen we net zo goed geen hebben.” Oog en hart lonken naar Harry Verkampen uit het naburige Gemert, NCB-hoofdbestuurder, varkensboer, wethouder voor het CDA en nu actieleider.

In 1970 begon het echtpaar Nooijen achter de boerderij varkensstallen te bouwen. Daar staan nu de gedekte zeugen, van elkaar gescheiden door stalen framen, in gelid. Biggetjes die al van de moeder afkunnen, liggen op verwarmde vloeren. Als ze 25 kilo wegen worden ze opgehaald. Afgelopen week waren het er 184. Jan: “De regering zei: bouwen, jongens! Je kreeg kleinschaligheidstoeslagen, investeringspremies, BTW-teruggave. Boerenzonen die in de WW zaten kregen hun uitkering doorbetaald totdat ze hun varkensbedrijf hadden gebouwd en een eigen inkomen gingen verdienen. Bouwvakkers gingen stallen bouwen en zelf varkens houden. Dat was in het begin van de jaren tachtig, toen het aardgas en de boerenstand het land overeind hielden. De Rabobank zei: geld lenen voor een stal van 500 varkens gaat niet; dat moeten er 1500 zijn. De voederfabriek hield je voor dat hoe meer je afnam des te groter de korting werd.”

De biggenprijzen lagen in de jaren tussen 1975 en 1992 ver tot redelijk ver boven de kostprijs die bij de Nooijens op 100 gulden ligt. “We verdienden flink geld, maar wel met 80 uur werken per week. Er waren jaren dat we 75- tot 80.000 gulden belasting betaalden”, aldus het echtpaar. In “die goeie tijd” werd achter het huis een zwembad gebouwd.

In 1992 kwam ernstig de klad in de biggenprijzen doordat het aanbod de vraag begon te overtreffen. Ze liggen nu ruim twintig gulden onder de kostprijs en een opwaartse trend is nog niet vast te stellen. “We zijn gelukkig zuinig geweest. We hebben geen leningen bij de bank. We kunnen nog teren op onze reserves.” De twee zonen van 25 en 23 jaar, met allebei een middelbare landbouwopleiding, werken in loondienst op andere boerenbedrijven. De opvolging door een van de zonen op het eigen bedrijf is onzeker geworden. Voor twee zonen samen is er, zeggen ze, te weinig te verdienen. “Waren de prijzen voor de biggen redelijk geweest, dan zouden de varkensboeren de kosten voor het milieu gemakkelijk kunnen betalen en dan was deze opstand er niet geweest”, aldus de boerin.

Ze heeft die morgen uit de brievenbus de rekeningen gehaald van de de dierenarts van 1.700 gulden voor de afgelopen maand en van de gezondheidsdienst voor dieren van 2.000 gulden voor het intenten van de varkens tegen besmettelijke ziektes. Per jaar betalen ze 3.000 gulden aan overschotheffingen op teveel geproduceerde mest, uitgedrukt in fosfaat. Dat wordt veel meer als straks de plannen van het kabinet worden aangenomen om de fosfaatnorm fors terug te dringen. Dan moeten er misschien beesten af en dat blijft een schrikbeeld. Jan: “Dat kan niet, wil je nog een inkomen houden. Je kunt straks wel een schoon milieu hebben, maar als je de kost niet meer kunt verdienen, heb je niks aan het milieu.” De ongeveer 1700 kubieke meter mest die het bedrijf jaarlijks produceert gaat voor het merendeel naar de kleigebieden in Nederland. De rest gaat ter bemesting naar land in de buurt.

“Hier zitten we nu onze spaarcenten op te maken en te mopperen”, zeggen de twee aan de met een kerststuk versierde keukentafel. Er is verbazing over de eigen strijdbaarheid. Riek: “Wie had het 25 jaar geleden kunnen denken dat we dit moesten doen om onze jongens boer te laten worden?” In de buurt heeft zich zojuist een jonge tuinder, vader van twee kinderen, van het leven beroofd omdat hij het niet meer aankon. Bij de uitvaartdienst waren honderden mensen geweest, want men voelt diep mee met zo'n drama, zeker in deze tijden van opperste nood. “Er wordt veel in stilte geleden”, zegt Jan, “maar als aan alle boerderijen met problemen belletjes zouden hangen, dan zou het een gebeier van jewelste zijn”. De carillons van de in het dorp gevestigde klokkengieter Petit en Fritsen zouden er niet meer tegenop kunnen.