Onderwijsvrijheid is dekmantel voor bestuurlijk immobilisme

Moet paars een van de laatste bolwerken van de verzuiling opruimen? Minister Dijkstal van binnenlandse zaken riep die vraag twee weken geleden op met zijn opmerkingen over de grondwettelijke verankering van de vrijheid van onderwijs. Hij vond die “niet meer van deze tijd” en stelde vast dat het betreffende artikel door het CDA telkens wordt gebruikt om overheidsbeleid te blokkeren. Velen die zich met het onderwijs bezig houden, zullen van Dijkstals opmerkingen verrast hebben opgekeken. Op de vrijheid van onderwijs en vooral het functioneren daarvan, rust een taboe. De - vooral negatieve - reacties liegen er dan ook niet om.

Maar zijn die reacties terecht?

De machtsverhoudingen in het onderwijs zijn geregeld in een tijd dat levensbeschouwing een veel grotere invloed had in het maatschappelijk leven dan nu. De verankering van vrijheid van onderwijs in artikel 23 van de Grondwet was het resultaat van de rooms-katholieke en protestants-christelijke emancipatie. Ze gaf ouders de ruimte - binnen bepaalde kaders van kwaliteit en financieën - vorm en inhoud te geven aan onderwijs op basis van de levensbeschouwing van hun keuze.

De ontzuiling na de Tweede Wereldoorlog heeft op vele maatschappelijke terreinen grote gevolgen gehad. De levensbeschouwing als bindend element is vrijwel verdwenen. Het onderwijs vormt daarop in organisatorische zin een uitzondering. In het onderwijs zijn het echter niet zozeer de ouders meer die invloed hebben op de inrichting van het onderwijs, maar de koepels van bestuurs- van vakbonden, die hun bestaansrecht aan de verzuiling ontlenen. In die zin is de vrijheid van onderwijs haar doel voorbij geschoten.

Veel maatschappelijke problemen vragen om een slagvaardige aanpak van een overheid die direct met alle belanghebbenden kan overleggen en voldoende middelen beschikbaar heeft. Die conclusie heeft al op veel beleidsterreinen tot deregulering en decentralisering naar de lokale overheid geleid. Met uitzondering van het onderwijs. Artikel 23 van de Grondwet leidt tot een halfslachtige decentralisatie en deregulering van het onderwijs. Gemeenten krijgen enkele procenten van het totale onderwijsbudget en worden vervolgens geacht effectief onderwijsbeleid te voeren voor juist die problemen die het moeilijkst op te lossen zijn. Denk aan het voorkomen van ongediplomeerde schoolverlaters, aan het verwerven van het Nederlands door allochtone kinderen, aan het ontwikkelen van een jeugdbeleid dat een antwoord is op werkloosheid, druggebruik en criminaliteit bij jongeren. Kortom, juist die problemen die een actieve rol van gemeenten en onderwijs vragen.

Op zoek naar een efficiënte vorm van overleg met het onderwijs worden de gemeenten geconfronteerd met koepelorganisaties die menen dat de vrijheid van onderwijs vereist dat de gemeente met elk schoolbestuur apart in overleg treedt in een 'op overeenstemming gericht overleg', zoals dat in de regelgeving gaat heten. Dat leidt tot een aanzienlijke bureaucratie: allerlei zaken moeten worden vastgelegd in aparte verordeningen en extra vormen van rechtsbescherming voor het bijzonder onderwijs. Alsof schoolbesturen en gemeenten niet in staat zijn zonder dergelijke rompslomp goede vormen van overleg te ontwikkelen, en alsof ons bestuursrecht al niet voldoende rechtsbescherming biedt. Dijkstal heeft dus gelijk: (het verschuilen achter) de vrijheid van onderwijs staat effectief en efficiënt overheidsbeleid in de weg.

Gemeenten zijn niet tegen de autonomie van scholen en schoolbesturen, op welke grondslag dan ook georganiseerd. Goed geleide, professionele scholen en schoolbesturen vormen de basis van een gezamenlijke aanpak met oog en respect voor elkaars belangen. Dat kan zonder te pas en - vooral - te onpas een beroep te doen op artikel 23 van de Grondwet. De ontwikkelingen bij grotere gemeenten hebben dat bewezen.

Laten we maar eerlijk zijn: veel mensen verdienen in Nederland hun brood met de handhaving van de machtsverhoudingen in het onderwijs. De steden die een convenant afsloten met het kabinet in het kader van het grote-steden-beleid zullen hier even hard tegenaan lopen als de gemeenten die in het kader van sociale vernieuwing een convenant aangingen met de toenmalige minister van binnenlandse zaken, Dales. Tenzij paars nu doorzet waarmee het is begonnen: middelen beschikbaar stellen voor de aanpak van problemen op die plaatsen waar ze het best kunnen worden gebruikt, namelijk bij de scholen via de lokale overheid. Paars kan de barrières wegnemen voor efficiënt en effectief beleid. In elk geval heeft Dijkstal minister Ritzen zeer geholpen. Die had zich geen betere start kunnen wensen voor zijn Nationale Onderwijsdebat.

    • W.S. Seuren