Lots and lots of guns in Jo'burg

De waarschuwingen vloeken met de ontspannen sfeer. Reggae klinkt uit kraampjes met sinaasappels en tomaten. Een heldere lentezon maakt alle kleuren intens en vanaf het terras van het Chelseahotel schalt soul. Warm, kloppend en deinend begroet het centrum van Johannesburg de reiziger. Maar wij zijn bang voor Joanna, bang voor de stiletto's en de snel getrokken revolvers. De taxichauffeur die ons van de luchthaven naar het centrum brengt, ziet dagelijks het roven en moorden. Gebarend naar links en rechts wijst hij de straten aan waar hij nooit doorheen zal rijden. Er worden zes keer meer mensen in Johannesburg vermoord dan in New York. Kranten openen niet eens meer met slachtpartijen waarin minder dan vier doden vallen.

Op onze hotelkamer bedenken we een strategie. We kennen de gruwelverhalen over de gevaarlijkste stad ter wereld, zwierven eerder door de achterbuurten van Aziatische en Amerikaanse steden. Omdat we de hotelsafe niet vertrouwen, stoppen we creditcard, paspoort en retourtickets met veiligheidsspelden in een zakje ter hoogte van ons dijbeen, in onze broekzakken zit enkel wat dievengeld. Buiten lopen we doelgericht, ook al zijn we voor het eerst in de stad. Onze camera, pennen en schrijfblok dragen we in een plastic tasje van de supermarktketen Checkers, een exemplaar van het dagblad 'Star' losjes onder onze arm. We kijken niet op of om, maar zien alles uit onze ooghoeken. Groepjes daklozen in portieken van vervallen winkels, corpulente hoeren en kinderen die tussen half gesloopte auto's spelen. De situatie lijkt veilig, auto's deinen door Pretoriusstreet, vrouwen dragen hun baby's in bonte dekens op de heup en de lentezon werpt lange schaduwen over het plaveisel.

Maar overal worden we op het gevaar gewezen. De dubbele kogelvrije sluizen bij bankgebouwen, muren met vlijmscherp Natodraad, met machinepistolen bewapende veiligheidsmensen en de metalen rekjes voor de supermarktkassa's die een greep in de geldlade moeten verhinderen. De balie van ons hotel bevindt zich achter gepantserd glas en wie daaronderdoor de sleutel in ontvangst neemt, moet eerst door een elektronisch te openen traliehek om bij de trap te komen.

Telkens als we het hotel verlaten worden we door de eigenaar gewaarschuwd: “Ga nooit lopend, neem altijd een taxi. Altijd, horen jullie me?” Maar we kunnen niet leven met het idee dat volstrekt onbekenden ons naar het leven staan. Daarom gaan we te voet.

Lopen door Johannesburg betekent midden over straat gaan, zo ver mogelijk van de klonters jongeren die aan weerszijde over muurtjes en afvalbakken hangen. “Ze gaan met zijn allen om je heen staan”, vertelt een taxichauffeur. “Eentje snijdt met een mes je schoudertas of rugzak open en de anderen grissen alles weg wat er op de grond valt. Voordat je doorhebt wat er gebeurt, ben je alles kwijt.” Als je je leven al behoudt. Want er zijn veel wapens in Jo'burg. 'Lots and lots of guns.' Niet alleen in de zwarte townships, maar vooral in Hillbrow en Berea, het centrum van de stad.

Angst kruipt niet via de rede het lichaam binnen, maar via onze voeten. We lopen sneller in straten die vrijwel leeg zijn. We drentelen rond bij stoplichten, want stilstaan is opvallen. We struikelen als onze moed zegt dat we ons niet aan moeten stellen en door moeten lopen.

Van Houston tot Parijs, van Singapore tot Managua stonden we 's ochtends al vroeg op straat. We keken naar het opbouwen van de markt, zagen oude vrouwen met kippen leuren en ambtenaren met hun attachékoffertjes naar kantoor gaan. In Johannesburg blijven we langer op bed liggen. We hebben immers ook een beetje vakantie. Maar we weten dat we bang zijn om de veiligheid van onze kamer te verlaten. In plaats van een snelle douche, laten we het bad vollopen. We drukken even op de knop van de televisie en bladeren in een tijdschrift. Tot de plicht ons tegen elven de straat op dwingt.

Op de stoep voor het hotel kijken we naar links en naar rechts en lopen de kant op met de meeste vrouwen en kinderen. Een taxi knipoogt en lonkt, onze voeten willen wel, maar we geven niet toe. Over het midden van het asfalt lopen we tussen verslaafden en hoeren, dieven en bedelaars. We schieten een krantenwinkel binnen en zoeken langer dan nodig. Uit het rek halen we de zwarte Sowetan en de extreem-rechtse Patriot. De verkoper trekt zijn wenkbrauwen op bij deze combinatie. Verder. Tot het eerste café. Vanachter het glas ziet Hillbrow er niet onvriendelijk uit. Moeders met kinderen, de kleurige hoopjes sinaasappelen en bananen, het zwarte asfalt, de gele spandoeken die een concert van Linton Kwesi Johnsson aankondigen. Na een eerste cappucino volgt een tweede. We lezen onze kranten. We roken. Dat doen we anders nooit voor het avondeten.

Buiten tuimelen de kleuren weer om ons heen. Een taxichauffeur remt af en kijkt ons vragend aan. Een helgroene taxi, een zwarte chauffeur in een fel oranje sweater. We wuiven hem weg en lopen binnen bij Checkers om een fles wijn te halen voor vanavond. Want vanaf zonsondergang zijn we gevangen in onze kamer. Een beveiligingsbeambte met een AK74 in zijn hand en patroonhouders in zijn riem waakt over de kassa's. We kijken links, we kijken rechts en slaan de weg in naar ons hotel. Nog tien meter tot de kruising en minder dan driehonderd tot de veiligheid van het traliehek. Om de hoek ligt een man op de stoep, een arm onder zijn gezicht. Is hij dronken? Ziek? Gevallen? De deur van zijn auto staat open. Pas later zullen we lezen dat hij een van de zes taxichauffeurs is die deze middag door concurrerende chauffeurs uit hun auto's zijn gehaald en ter plekke geëxecuteerd: omdat ze op andermans route reden. Nu zien we alleen hoe de straal donkerrood bloed die uit zijn hoofd golft vloekt met zijn oranje sweater.

    • Ralf Bodelier