Ketens bepalen beeld van drukke winkelstraten in Nederland; Elke stad heeft dezelfde puien en logo's

UTRECHT, 11 DEC. Hoeden- en pettenspecialist Van Dijck in de Utrechtse Bakkerstraat houdt de middenstandseer hoog. Om half twaalf 's avonds, als de bioscoop uitgaat, gaat het rolluik omlaag. Tot dan is de etalage een baken in een stalen winkelstraat. Winkelketens beginnen al om zes uur met rolluiken. “En overdag is het ook minder gezellig dan vroeger”, vindt eigenares J. Baldi-Van Dijck, die nog met haar man boven de winkel woont. “Het personeel van die ketens ken ik niet. Dat verandert zo snel. Vroeger kende je iedereen in de binnenstad.”

De Bakkerstraat, de verbinding tussen Hoog Catharijne en de Oude Gracht, ligt in het epicentrum van de kooplust. Hier heerst de 'Kalverstraatwet': als een winkelstraat verandert in wandelstraat, wordt het er minder leuk. In de jaren tachtig werd de term funshoppen populair en inmiddels hebben alle steden in Nederland winkelpromenades. Elke binnenstad heeft dezelfde puien en logo's. Pas buiten het wandelgebied wordt het interessant, want daar zitten de winkels met curiosa.

Er zijn nog onverbeterlijke middenstanders die eigenaar zijn van hun winkel en stand houden, maar hun aantal slinkt. De familie Baldi-Van Dijck, sinds 1923 in hoeden, kent de verhalen van collega's die hun zaak voor veel geld verkochten en riant gingen leven. Vader Baldi moet er niet aan denken. “Je moet toch wat te dóén hebben?”

In de drukste wandelstraten van de steden is nu 75 tot 80 procent van de winkels onderdeel van een keten. Landelijk is vijftig procent van de winkels filiaalbedrijf en de verwachting is dat dit over tien jaar voor 70 tot 75 procent van het hele Nederlandse winkelbestand zal gelden.

De opkomst van de keten lijkt onontkoombaar: als een straat in een promenade verandert, groeit de passantenstroom en stijgt de winkelhuur, maar die kan alleen worden opgebracht door bedrijven met een hoge omzet. “Elke winkelstraat met een huur van duizend gulden of meer per vierkante meter is gefilialiseerd”, zegt J. Pernot, medewerker van het Instituut Midden- en Kleinbedrijf. “Met een agressieve vestigingsstrategie verdringen ze de zelfstandige ondernemer en de speciaalzaak. Dat is tien à vijftien jaar geleden heel sterk ingezet. Het leidt tot een verarming van het beeld, maar als je niet in alle binnensteden tegelijk komt, valt je dat niet op.”

Toch zijn de ketens niet oppermachtig. “In de stadscentra zijn het de meest kwetsbare winkeltypen. Als er iets verandert in de mobiliteit zijn die plekken het gevoeligst”, aldus Pernot. En er verandert veel. De auto wordt verdreven uit de binnenstad, aan de stadsrand verrijzen megastores en daartussen floreren de stadsdeelcentra. “Het is een carrousel. Alles hangt met elkaar samen”, zegt Pernot. “Er is volop deining. Maar of het om het fin-de-siecle gaat of dat er daadwerkelijk iets verandert, dat moeten we nog een paar jaar afwachten.”

De onzekerheid blijkt ook uit de stagnatie in de verkoop en verhuur van winkelruimte. De Nederlandse Vereniging van Makelaars meldde in augustus dat de verkoop en verhuur van winkels, na een stagnatie vorig jaar, in de eerste helft van dit jaar is teruggelopen. Vooral filiaalbedrijven zijn terughoudend.

In een van de drukstbewinkelde landen van Europa is een slag om de regionale consument uitgebroken. Het toverwoord is city-marketing. Binnensteden moeten zich profileren om aantrekkelijk te blijven. De Rotterdamse Lijnbaan, in de jaren zestig de eerste winkelpromenade van Europa, mag dan op sterven na dood zijn, iets verderop werkt de stad hard aan een ondergronds koopcomplex. Apeldoorn kreeg een fraai vormgegeven Oranjerie, Eindhoven maakt goede sier met de Heuvelgalerie, Utrecht studeert op een face-lift voor Hoog Catharijne en omgeving, Den Haag krijgt een tramtunnel onder de Grote Marktstraat en de Amsterdamse Kalverstraat heeft nieuw plaveisel. “Het onderscheidend vermogen van een binnenstad wordt steeds belangrijker”, constateert Pernot. “De bezoeker wil verrast worden. Je moet iets op zijn trommel- of netvlies zetten.”

Bij de verbetering van de omgeving zijn de filiaalbedrijven zelden actief. “Het probleem is vaak dat ketens geen lid worden van een ondernemersvereniging”, zegt P. Ewalts, medewerker van de Utrechtse Kamer van Koophandel. “Ze doen vaak ook niet mee aan acties, terwijl het voor ondernemers steeds belangrijker wordt om aan collectieve promotie te werken.” Ewalts denkt dat in een binnenstad, waar het eigendom van het onroerend goed versnipperd is, een Vereniging van Eigenaren uitkomst kan bieden. In Veenendaal en Den Bosch gebeurt het al. “Zo'n vereniging heeft er belang bij dat de waarde van het onroerend goed intact blijft. Als een pand vrijkomt, kan men beslissen welke winkel er per se in zou moeten komen. Je kunt zo niet alles sturen, maar je kunt wel accenten leggen.”

Er moet echter veel meer gebeuren, want de binnensteden zijn ziek. Dat vindt E. Prins, directeur projectontwikkeling van ABN Amro en voorzitter van de Raad van de Nederlandse Winkelcentra. De raad is met 240 leden het platform van alle partijen die in Nederland betrokken zijn bij winkelgebieden, van architect tot detaillist. Ook Prins zegt te gruwen van de monocultuur in de binnensteden, maar dat is volgens hem niet de schuld van de filiaalbedrijven. De koopkracht is uit de grote steden verdwenen en daarmee ook de speciaalzaken. “Als je in een stad als Rotterdam - maar het gebeurde ook elders - veertig jaar lang een beleid voert met alleen laaggeprijsde sociale woningbouw, dan verandert de samenstelling van je woningvoorraad in ernstige mate. Je ziet de klanten onder je handen van kleur verschieten.” Prins rekent voor: in Rotterdam is nu 7 procent eigen woningbezit, in Den Haag 22 procent, in Amsterdam 12, terwijl het landelijk gemiddelde 47 procent is.

Inmiddels bouwen de steden ook weer voor de hogere inkomensgroepen, maar dat kan slechts in bescheiden mate tegenwicht bieden aan een scheefgroei van tientallen jaren. Zelf had Prins als PvdA-wethouder in Goes eind jaren zestig grote onenigheid met de socialistische voorman J.M. den Uyl, omdat hij in zijn gemeente een goudkust wilde aanleggen. Ook de verschuiving in de werkgelegenheid speelt de grote steden parten, stelt Prins. In plaats van de industrie is nu de commerciële dienstverlening de belangrijkste bron van werkgelegenheid. “Het vestigingsbeleid van die sector wordt door woonkwaliteit bepaald. De commerciële dienstverlening gaat naar de fraaie woongebieden in Gelderland en Brabant. Daar loopt het als een trein.”

In de middelgrote gemeenten buiten de Randstad is het nog aangenaam winkelen. Plaatsen als Den Bosch, Oosterhout, Uden, Zwolle, Alkmaar, Zutphen en Apeldoorn slagen erin aan de monocultuur te ontsnappen en klanten van heinde en ver aan te trekken. Soms is dat het resultaat van een meer evenwichtig woningbouwbeleid in het verleden, maar soms is er geen peil op te trekken, zegt Prins. “Je ziet grote verschillen; het is net een berglandschap. In Zutphen kun je alles kopen en in Deventer niet.”

Ten slotte is er de mobiliteit van de klant. Het doet er niet toe waar een speciaalzaak gaat zitten; als hij maar per auto bereikbaar is. “De consument rijdt. De grachtengordel winkelt in Laren, Bilthoven en Brabant. Daar kan hij gratis parkeren.”

Toch wil Prins de grote stadscentra niet prijs geven. “Wij investeren nog steeds in de binnensteden en proberen er de kwaliteit te beïnvloeden. Ik denk dat het structureel goed is dat we steden met een bepaalde kwaliteit hebben. Mijn ideaal is een evenwicht van wonen, winkelen, cultuur en parkeren. Dat is geen kwestie van een hobby bedrijven, want daar moet je een professioneel programma van eisen voor maken. In de grote steden is dat inzicht nu goed doorgebroken, maar we hebben te maken met een ernstig zieke patiënt.”