Gruwelijk drama van Norén in spitse versie

Voorstelling: De moed om te doden van Lars Norén. Vertaling: Karst Woudstra; regie: Judith de Rijke; vormgeving: Tanja de Jonge; spel: Frank Lammers, Xander Straat, Marthe-Geke Bracht. Gezien: 8/12 Toneelschuur Haarlem. Nog te zien aldaar t/m 13/12.

Dat de zoon aan het slot van Lars Noréns toneelstuk De moed om te doden zijn vader vermoordt, is een drama, gruwelijk maar onafwendbaar. Er is geen andere uitweg, weet de zoon, en wij toeschouwers weten het ook. Als hij verder wil leven moet hij zich van zijn vader ontdoen.

Toch is de vader geen rotzak. Hij is onmogelijk. Zijn zoon achtervolgt hij met verwijten en commentaar, diens manier van leven keurt hij af en tegelijk hunkert hij, als een hond die bedelt om een aai van zijn baas, naar een vriendelijk woord van zijn kind. Maar juist die hulpeloosheid en afhankelijkheid schrikt de zoon af: “Ik zal me mijn leven lang verlamd blijven voelen als ik maar naar hem kijk”, zegt de jongen somber tegen zijn vriendin Radka.

De moed om te doden is een typisch Norén-stuk: zwaar, psychologisch op het Freudiaanse af. Toch kan zijn gewroet in troebele familieverhoudingen ook licht en spits uitpakken, zoals de voorstelling van Judith de Rijke bewijst. De Rijke, een jonge regisseuse die vorig jaar afstudeerde aan de Theaterschool Amsterdam en nu in de Haarlemse Toneelschuur een eigen produktie uitbrengt, heeft haar drie, eveneens jonge, acteurs behoed voor loden ernst zonder de pijn die het drama veroorzaakt te verzachten.

Het resultaat is een voorstelling waarin de acteurs elkaar op de hielen zitten, ze gunnen elkaar nauwelijks rust. Hun zinnen buitelen over elkaar heen, vinnig en snel. Vooral Xander Straat, als de vader, beschikt over een onnavolgbaar en soms helaas onverstaanbaar tempo. Gespannen als een veer zit hij op zijn stoel. Terwijl zijn handen steun zoeken op zijn knieën praat hij gejaagd als moest hij alle tijd die met zwijgen verloren is gegaan in één keer inhalen.

Zijn nervositeit is naar mijn gevoel te zwaar aangezet, maar Frank Lammers biedt tegenwicht: hij speelt de zoon juist ijzingwekkend kalm. Slechts een enkele maal schiet hij uit zijn slof en dan is het vaak Radka (Marthe-Geke Bracht) die probeert te sussen.

Woorden zijn de wapens van de acteurs. Actie is beperkt tot het minimum. De spelers zitten op stoelen die verspreid staan in een kale met plastic afgeschermde ruimte en wit zand op de vloer. De enscenering is sober en strak. Toch is Judith de Rijke niet wars van pathetiek zoals het slotbeeld op humoristische wijze duidelijk maakt. Nadat de vader met messteken om het leven is gebracht zien we hoe hij een slokje toneelbloed drinkt. Terwijl het rode vocht in straaltjes langs zijn kin sijpelt zingt de zoon geluidloos mee met een aria uit een opera van Verdi.