De maagden begrijpen Shaggy heel erg goed

Concert: Shaggy. Gehoord: 9/12 Melkweg Max, Amsterdam.

'Zijn jullie nog maagd?' Het leek een impertinente vraag, maar het publiek van Shaggy had er geen moeite mee. 'Jáááá', klonk het uitbundig in de volgepropte nieuwe zaal van de Amsterdamse Melkweg. Komisch, want er is geen stroming in de hedendaagse popmuziek die zo uitgesproken seksueel is als ragga, een kruisbestuiving van Jamaicaanse reggae en Amerikaanse hiphop.

De op Jamaica geboren en in New York opgegroeide Shaggy (ware naam: Orville Burrell) noemt zichzelf 'Mister Lover Lover'. Zijn wilde sprongen en suggestieve bewegingen werden met gejuich begroet en hij nodigde de schaars geklede meisjes op de voorste rijen gretig uit om op het podium te komen dansen.

De 27-jarige Shaggy wil een ambassadeur van de reggae zijn, ook al heeft de elektronische raggamuffinstijl van zijn platen weinig gemeen met de ouderwetse hakketak-muziek waarom Jamaica bekend staat. Op het podium werd de verhouding enigszins recht getrokken, want de maat werd geslagen door een echte drummer en er stond zelfs een enigszins obligate medley van Bob Marley-successen op het programma. De meest overtuigende brug tussen oud en nieuw werd geslagen in Oh Carolina, een oude hit (1958) van de Folkes Brothers die door Shaggy in een nieuw jasje werd gestoken, zonder de oorspronkelijke Caribische swing te veronachtzamen.

Met zijn droge spreek/zangstem klonk hij luid en duidelijk uit boven het feestgewoel. Waar zijn bewerking van Mungo Jerry's In the summertime al te sterk leunde op het refrein van een overbekend succesnummer, heeft Shaggy met zijn recente hit Boombastic een eigen stem gevonden. Zijn beheerste manier van rappen onderscheidt zich van andere raggamuffinzangers als Shabba Ranks, bij wie de zeggingskracht ten onder gaat in een spervuur van onsamenhangende keelklanken.

Shaggy is zuinig met woorden, maar vooral de meisjes weten donders goed waar het over gaat. Tijdens de toegift met Harry Belafonte's Banana boat song verschool hij zich maar al te graag achter de heupwiegende bubbling-danseressen die bezit namen van het podium. Ze waren gekomen om te 'bobbelen' en zodoende konden de dikke winterjassen tot diep in de nacht in de garderobe blijven hangen.