De boventonen, vroeger het mysterie van Centraal Azië, zijn overal, van Siberië tot het Wilde Westen; Keelzangers uit Toeva demonstreren oerklanken

Concerten met keelzang en andere traditionele muziek uit Centraal-Azië: 12/12 042 Nijmegen; 16/12 Rasa Utrecht (lezing vooraf); 17/12 Siberiëdag, eveneens met lezing IJsbreker Amsterdam; 23/12 Het Sindicaat Den Haag. Tv-uitz.: 28/1 15.44 uur Passaat NPS.

Een fiere hengst was de afgelopen zomer de hoofdprijs van de zangwedstrijd tijdens het tweede Internationale Festival Chöomej in Toeva, een Russische republiek in Zuid-Siberië. Chöomej (spreek uit: geumeej) is de wonderlijke zangtechniek van enkele Centraal-Aziatische volkjes, waarmee zangers tegelijkertijd twee en zelfs meer tonen kunnen zingen, in verschillende octaven. Chöomej betekent letterlijk keelzang, maar het wordt in het Westen ook wel boventoonzang genoemd.

De regionale chöomejcompetitie werd gehouden op een steenworp afstand van de obelisk die ooit was bedoeld als aanduiding van het centrum van Azië. Hier streden ongeveer 120 zangers uit Toeva, Chakassië, Mongolië en Basjkortostan, gecompleteerd met een handvol buitenlanders, om de hengst. Vier keelzangers en een zangeres, elk uit een verschillende traditie, zijn binnenkort in Nederland te bewonderen op een uniek mini-festival van Centraal-Aziatische traditionele muziek.

Na de veroveringsstrategieën van Dzjengis Khan was het keelzingen tot voor kort een van de best bewaarde geheimen van deze regio. Sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie veroveren Toevaanse en Mongoolse keelzangers de westerse podia met het wonder van hun archaïsche klanken. Frank Zappa, Ry Cooder en het Kronos Kwartet werkten met hen samen en Guus Janssen gebruikte ze vorig jaar als alternatief koor in zijn opera Noach. Veel westerlingen leerden inmiddels hun eigen boventonen te zingen.

Boventonen zijn er altijd en overal, hoewel we ons er zelden van bewust zijn. Ze bepalen de klankkleur van instrumenten, het onderscheid tussen de klinkers en het verschil tussen de ene en de andere stem. Bij instrumenten zijn we ons nog wel eens bewust van boventonen: de flageoletten op een snaarinstrument en het overblazen op een fluit. In onze stem nemen we ze doorgaans niet waar, hoewel iedereen de eigen boventonen met een beetje oefening kan horen.

Een boventoonzanger maakt optimaal gebruik van zijn mondholte, die als klankkast voor de boventonen of harmonischen fungeert. Zodoende kunnen één of enkele boventonen, die een vaststaande reeks boven de grondtoon vormen, als het ware uitgefilterd worden. Andere harmonischen worden onderdrukt door nasaal te zingen of de keel aan te spannen. Door vervolgens de positie van de tong, lippen en/of kaken te veranderen, wordt er een melodie van boventonen gemaakt, waarbij de grondtoon als bastoon fungeert. Omdat we van kinds af aan gewend zijn klinkers te maken èn te horen is het soms lastig dit luisterpatroon te doorbreken. Na verloop van tijd vliegen de alomtegenwoordige boventonen je echter om de oren.

Stockhausen ontdekte het bestaan van vocale boventonen op eigen houtje in de jaren '60. In zijn compositie Stimmung uit 1968 onderzocht hij deze onbekende klankvelden volgens de wetten van de boventoonreeks. Een Vietnamese muziekvorser te Parijs en een Amerikaanse filmmaker ontdekten een Hongaarse plaat met boventoonzang en togen eveneens aan het werk om zich de techniek eigen te maken. In de jaren '70 werd de techniek vooral onderzocht door stemkunstenaars en experimentele groepjes op conservatoria. In het volgende decennium waren het vooral New Age aanhangers, die met hun boventonen op zoek gingen naar 'hun innerlijke universum'. Inmiddels hebben de keelzangers de eer de James Browns van de etnische muziek te zijn: ze verschijnen veelvuldig als sample in techno, jazzdance en ambient muziek.

Voor de herders van de steppen uit West-Toeva zijn deze boventonen de gewoonste zaak van de wereld. Sterker nog, ze zijn in staat, door met hoge druk op hun keel te zingen, om de grondtoon zo zacht te maken dat het lijkt of er alleen nog maar boventonen zijn. Ze hebben op fabelachtige wijze verschillende technieken ontwikkeld en geperfectioneerd. Hiermee maken ze allerlei keelklanken, van geluidsimitaties tot traditionele pentatonische melodieën. Het valt soms niet mee een beginnend luisteraar aan het verstand te brengen dat die fluittonen uit hun keel komen.

Deze keelzang is in een ver verleden ontstaan, in of nabij Toeva, dat grenst aan Mongolië. Hoe lang geleden is niet te zeggen, maar menig chöomej-luisteraar bekruipt het gevoel dat hij klanken hoort uit de tijd dat de mens nog geen taal kende om te communiceren. Wie voor het eerst kennis maakt met deze klanken, begrijpt vaak niet wat hij hoort of denkt zelfs dat hij bedrogen wordt. De heldere boventonen, bij een goede zanger soms wel drie boven elkaar, schijnen geheel los te staan van de lage zoemtoon, waardoor een indruk van meerstemmigheid ontstaat.

De Toevaan heeft echter geen woord voor het begrip 'boventoon', voor hem is de druk op de keel het meest typerend. Door de keel bijna af te sluiten houden ze hun longreserves lang vast, en zijn ze in staat langer dan een minuut boventonen te zingen. Met een opgelucht 'ooj' gaat de druk van de ketel en laten ze het laatste restje lucht ontsnappen.

De Toevaanse keelzang kent drie basistechnieken. Sygyt, heeft iets weg van een fluit, en lijkt op geen enkele manier van zingen. Een andere techniek, die net als de verzamelnaam chöomej heet, vertoont overeenkomsten met de mondharp, het boventooninstrument bij uitstek. Een derde techniek, kargyraa, is zo laag, dat het op het eerste gehoor meer op rochelen en grommen lijkt. Het geluid doet denken aan dat van de Australische instrument didgeridoo.

Het kost vaak wat tijd voordat luisteraars deze stijl kunnen appreciëren, maar dan blijkt opeens dat er behalve klinkers ook een melodie van boventonen gezongen wordt. Alle Toevaanse stijlen, volgens sommige zangers wel twintig, zijn gebaseerd op deze drie basistechnieken. Het is frappant dat in een zo klein gebied achteloos zowel de onderste als de bovenste grens van het vocale bereik benaderd wordt. De spanwijdte tussen het ongehoord lage kargyraa tot de fluittonen van sygyt bedraagt zo'n zes octaven.

Keelzang is het favoriete tijdverdrijf van de Toevaanse herder: zijn vrouw kan dan horen dat hij niet is opgegeten door een beer en de schapen blijven rustig, dus vet. Mocht het jonge kroost niet kunnen slapen, dan kan een stukje chöomej wonderen doen en een vroegrijpe mannelijke peuter begint zelf al te zingen. Toevaanse lama's doen niet aan keelzang, maar Tibetaanse monniken staan wel bekend om hun boventoonrijke recitaties.

Overigens is boventoonzang niet alleen in Centraal-Azië bekend: ook in Zuid-Afrika, Basjkortostan, India, Taiwan en zelfs Corsica en Sardinië zijn traditionele musici die dit principe onderkennen. Dat er wellicht nog meer onder de zon is, doet een obscuur Amerikaans plaatje met onvervalste country & western vermoeden. De zanger zet in met zijn gitaar, zingt een themaatje, jodelt wat en herhaalt het thema, dit keer met boventonen! Opgenomen in 1921, is hier met recht sprake van een lonely cowboy.