Zwarte getto's - eigen schuld

DINESH D'SOUZA: The End of Racism. Principles for a Multicultural Society

724 blz., The Free Press 1995, ƒ59,10

The End of Racism van Dinesh D'Souza heeft dit najaar in de Verenigde Staten bijna nog meer emoties losgemaakt dan verleden jaar het ophefmakende boek The Bell Curve van Charles Murray en Richard Herrnstein deed. De kritieken lijken zelfs nog een tikkeltje erger. “Obscene ideeën verpakt in een wetenschappelijk jasje”, “een pleidooi voor discriminatie en intolerantie”, “een schunnige opeenhoping van drogredeneringen en halve waarheden”, en “een walgelijk mengsel van half-bakken eruditie en kleingeestig fanatisme”. Het is een willekeurige greep uit zomaar wat serieuze Amerikaanse tijdschriften. In The New York Times sneerde de filosoof Richard Rorty dat dit boek “maar nauwelijks was te verteren”, en in het weekblad Time werd D'Souza's uitgeverij ervan beticht met “hele nare pulp” een goedkoop kassucces te willen behalen. De recensent riep alle Amerikanen van goede wille zelfs op om het boek te boycotten.

De in Bombay geboren D'Souza staat al sinds enkele jaren bekend als het briljante enfant terrible van conservatief Amerika. In 1991 debuteerde hij op dertigjarige leeftijd met Illiberal Education. The Politics of Race and Sex on Campus. Daarin ging hij fel te keer tegen de volgens de in de universitaire wereld heersende geestelijke terreur van de 'politieke correctheid', tegen het multiculturalisme en tegen het feminisme. In rechtse kring kreeg hij toen enorme bijval en zijn boek werd terstond een nationale bestseller. “De grootste vijand van de neger is de neger zelf”, dat was een van de hoofdthema's. In zijn huidige, meer dan 700 pagina's tellende pennevrucht werkt D'Souza dit thema verder uit, maar daarbij kiest hij zo radicaal stelling dat nu zelfs in rechtse kring de wenkbrauwen gefronst worden.

In The Bell Curve werd de maatschappelijke achterstand van het zwarte volksdeel verklaard door genetische zwakte. Volgens D'Souza heeft de deprivatie daarmee echter niets te maken. Ook aan racisme en discriminatie zou het niet liggen, en evenmin aan een gebrek aan huisvesting, banen en scholingskansen. De benarde positie van met name de zwarte onderklasse, betoogt hij, is puur het gevolg van morele slapte en sociaal disfunctioneren. Bezie maar eens de Amerikaanse binnensteden, schrijft D'Souza. Wat bruisende centra van 's werelds leidende natie hadden kunnen zijn, zien eruit als verloederde en uitgewoonde 'oorlogszones' waarbij de puinhopen van Sarajevo en Beiroet nog gunstig afsteken. Misdaad, echtbreuk, drugs, alcohol, jeugdbendes, ongehuwde tienermoeders en een chronisch gebrek aan ambitie en zelfdiscipline zijn de hoofdingrediënten van de 'zwarte cultuur' van collectieve zelfdestructie.

In plaats dat deze a-sociale levensstijl van hogerhand wordt gecorrigeerd door een krachtdadig beschavingsoffensief, is er sprake van een laakbaar gedoogbeleid. Vooral in het halfzachte progressief-liberale milieu klaagt D'Souza, wordt de 'ontoereikende' cultuur van de onderklasse juist vergoelijkt en zelfs als authentiek geprezen en gerespecteerd. Daarbij komt nog eens de 'averechtse idiotie' van het afrocentrisme en het anti-eurocentrisme, alsmede het modieuze postmoderne gekakel over 'black identity politics'. Het is allemaal nergens goed voor. Bron van alle kwaad is volgens The End of Racism de door de antropoloog Franz Boas (1858-1942) geformuleerde opvattingen over cultureel relativisme. Dit 'waanidee' zou ten grondslag liggen aan de burgerrechtenbeweging sinds W.E.B. Dubois en Martin Luther King, en het zou slechts hebben geleid tot het dogma dat de achterstand der zwarten louter het resultaat is van systematische onderdrukking.

Rationele discriminatie Langs deze lijnen spuwt D'Souza in dit boek zijn gal over het progressief-liberalisme. Volgens hem is er sinds de jaren zestig een machtig linksachtig establishment van 'race merchants' ontstaan dat een gevestigd belang heeft in de anti-racisme-industrie en de exploitatie van blanke schuldgevoelens. In werkelijkheid is in Amerika het racisme zo goed als dood, betoogt D'Souza, waarbij hij racisme ziet als het geloof in de erfelijke minderwaardigheid van biologisch gedefinieerde groepen. Wel geeft hij toe dat discriminatie nog niet volledig is uitgebannen, maar de irrationele vooroordelen van vroeger zouden plaats hebben gemaakt voor wat in dit boek 'rationele discriminatie' heet. Als een taxichauffeur niet stopt voor een donker iemand, dan is dat volgens D'Souza niet uit ongefundeerde rassenhaat maar het resultaat van een 'juiste schatting' van de mogelijkheid overvallen en overhoop geschoten te worden. Als een zwart echtpaar wat meer moeite heeft om een hypotheek af te sluiten dan blanke leeftijdgenoten, dan is dat louter de logische uitkomst van negatieve ervaringen in het bankwezen met Afro-Amerikaanse debiteuren.

Voor het 'permanente geweeklaag' van de zwarte middenklasse over dit soort alledaags racisme doet D'Souza bijzonder smalend. Zelfs bij de minste en geringste tegenslag, hoont hij, is het altijd weer 'het racisme' dat het gedaan heeft. Zo blijft de zwarte middenklasse maar al te graag verslaafd aan haar slachtofferrol. Bovendien is het, stelt hij, juist deze groep die het meest profiteert van het positieve-discriminatiebeleid. De zwarte middenklasse voelt zich volgens hem over deze voortrekkerij weliswaar hoogst ongemakkelijk, maar tegelijkertijd zou er ook een paranoïde angst zijn om de onverdiende privileges weer kwijt te raken.

Het zal geen verwondering wekken dat D'Souza positieve discriminatie veroordeelt als iets dat indruist tegen alles waar Amerika voor staat. Het is volgens hem een 'onethische absurditeit' om burgers die het ook moeilijk hebben maar toevallig blank zijn, te laten opdraaien voor de historische ereschuld van de slavernij. Bovendien, betoogt hij, hadden de slaven vergeleken met andere groepen het vaak lang zo slecht niet. En wat de slavenhandel betreft, de handen van de Afrikaanse leveranciers zijn heus niet minder vuil dan die van hun Europese handelspartners. Tevens zou in Amerika een omvangrijke groep van zowel Indiaanse als zwarte slavenhouders zijn ontstaan. In de Burgeroorlog vochten dezen aan de kant van het Zuiden net zo hard mee voor het behoud van de slavernij. Dat racisme en discriminatie geenszins een blank monopolie zijn, is iets wat D'Souza de lezer bij voortduring inpepert.

Rigoureuzer Het is intussen opmerkelijk dat D'Souza in The End of Racism min of meer aan de haal gaat met het gedachtengoed van de zich tegenwoordig sterk profilerende groep rechtse zwarte intellectuelen, van wie Thomas Sowell, Stanley Crouch, Shelby Steele, Glenn Loury en Robert Woodson de prominentste vertegenwoodigers zijn. D'Souza borduurt in feite schaamteloos voort op hun ideeen over het zelfbeeld der zwarten. Alleen is hij wat scherper van toon, rigoureuzer in de uitwerking en extremer in zijn stellingnames. De zwarte rechtse intelligentsia voelde zich dan ook danig in verlegenheid gebracht. Zo distantieerde Robert Woodson zich onmiddellijk van dit boek, waarbij hij D'Souza uitmaakte voor “de Mark Fuhrman van de academische wereld”, een verwijzing naar de racistische politie-inspecteur in de O.J. Simpson-zaak. Tevens verbrak hij zijn relatie met de American Enterprise Institute omdat deze rechtse denktank ook aan D'Souza onderdak bood.

Ironisch en misschien wel pijnlijk is dat de minst negatieve ontvangst van The End of Racism was te lezen in de progressief-liberaal georiënteerde New York Review of Books. De recensent was George Frederickson, befaamd hoogleraar aan de universiteit van Stanford, van wiens hand zeer onlangs bij Oxford University Press een nu reeds alom geroemde vergelijkende studie verscheen over zwarten in Amerika en Zuid-Afrika onder de titel Black Liberation. Hij is het weliswaar volstrekt oneens met D'Souza, vooral wegens diens demonisering van de 'zwarte cultuur', maar is verrassend genuanceerd in zijn oordeel. Zijn voornaamste bezwaar is dat in The End of Racism zo'n onvoorwaardelijk en volkomen geloof doorklinkt in de Westerse kapitalistische middle-class levensstijl. Dat maakt D'Souza geen racist in de technische zin van het woord, maar wel een etnocentrist met ongefundeerde superioriteitsgevoelens. Niettemin looft Frederickson het boek als een competente synthese van bestaand onderzoek. Hij heeft het zelfs over de “meest diepgaande, intelligente en best gedocumenteerde kritiek op het progressief-liberale beleid” dat hij kent. Het is ontegenzeglijk waar dat D'Souza scherpe en ongemakkelijke vragen stelt die zich niet zo gemakkelijk van tafel laten vegen als men misschien zou wensen. Alle verontwaardiging ten spijt is dit boek dan ook van veel meer gewicht dan indertijd The Bell Curve. Ondanks de bittere bijsmaak en de soms ronduit overspannen toon kan The End of Racism daarom worden beschouwd als een niet te veronachtzamen mijlpaal in de hand over hand toenemende verrechtsing en verharding van de Amerikaanse samenleving.