W.E. Gladstone (1809-1898); Victoriaanse hoerenloper

H.C.G. MATTHEW: Gladstone

421 blz., (deel II), geïll., Harvard University Press 1995, ƒ73,50

ROY JENKINS: Gladstone

698 blz., geïll., MacMillan 1995, ƒ63,-

William Ewart Gladstone was een bijzondere man. Hij leidde vier kabinetten en vormde de politieke stijl van de massademocratie, hij was liberaal en ook warm anglicaan, auteur van vele boeken, gepassioneerd houthakker en redder van gevallen vrouwen. De Engelsen noemen de negentiende eeuw 'Victoriaans'; zij kennen zelfs een vroeg- en een laat- Victoriaanse periode. Het bijvoeglijk naamwoord wordt in Nederland gebruikt voor spreekwoordelijke preutsheid, overdreven vroomheid en strakke moraal. Als een periode Victoriaans genoemd wordt, dan zal er dus wel een doodse sfeer hebben geheerst.

Niets is echter minder waar. Al in de jaren vijftig toonde de Britse historicus Houghton in zijn Victorian frame of mind aan dat de Victoriaanse mentaliteit doortrokken was van spanningen: twijfel aan het geloof, heftig verlangen naar heldendom, een moraal die zo hoge eisen stelde dat geen mens eraan kon voldoen. Omdat zelfbeheersing, het goede voorbeeld, veredeling en verheffing hoog stonden aangeschreven, bleven de spanningen van de cultuurdragers echter voor het oog van de wereld verborgen. Werden ze dan aan het geduldige papier van het dagboek toevertrouwd? Gladstone kende de Victoriaanse spanningen en hield een dagboek bij dat letterlijk de gehele tijd van Victoria omspant. Het begint in de jaren 1820, toen Victoria nog een meisje was en het eindigt in 1894, enkele jaren voordat de oude koningin zou overlijden; het bevat in uitgegeven vorm veertien delen, maar het is niet zozeer gevuld met uitgewerkte zelfbespiegeling als wel met een verslag van de dagelijkse gang van zaken. Matthew, de bezorger van het dagboek waarvan vorig jaar het laatste deel verscheen, heeft zijn decennia-lange vertrouwdheid met Gladstone verwerkt in een tweedelige biografie.

Er is inderdaad alle reden Gladstone in twee delen te bespreken. Toen hij na zijn eerste kabinet in 1874 op vierenzestigjarige leeftijd afscheid nam van de politiek, had hij al een klassieke politieke carriere achter de rug en was hij een persoon die biografen zou hebben aangetrokken. Dat hij echter daarna aan een tweede leven begon waarin hij nog driemaal als premier optrad en samen met Victoria tot het symbool van zijn tijd werd als grand old man, heeft hem tot de na Churchill meest beschreven Britse politicus gemaakt.

Over Gladstones tweede carrière schrijft Matthew in zijn laatste deel (het eerste deel verscheen in 1986). Zijn biografie is gebaseerd op de inleidingen die hij schreef bij de dagboeken. Ze volgt de problematiek die daarin centraal staat en behandelt in afgescheiden hoofdstukken de voornaamste binnen- en buitenlandse politieke problemen waarmee Gladstone te maken kreeg en verschillende aspecten van zijn privéleven. Het tweede deel maakt iets meer dan het eerste de indruk van een bundeling beschouwingen in plaats van een doorlopend verhaal, maar is eveneens de moeite waard. Hier is een klassieke biograaf aan het woord die nauwgezet, met inlevingsvermogen en sympathie het leven beschrijft van de persoon met wie hij innig vertrouwd is geraakt. Hij legt de wereld van Gladstone uit aan een hedendaags publiek en kan daarbij misschien op meer welwillendheid rekenen dan enkele decennia geleden. Gladstone behoorde namelijk tot de negentiende-eeuwse liberale mannenwereld en deze mensensoort heeft het in de geschiedschrijving lange tijd zwaar te verduren gehad als een hypocriete en moralistische elite die arbeiders, vrouwen, Derde Wereld en zijn eigen seksualiteit onderdrukte.

Gladstone geeft alle aanleiding tot dergelijke beschuldigingen. Hij verzette zich hevig tegen imperialisme en wenste de Britse aanwezigheid in Egypte zo beperkt mogelijk te houden. Tegelijk had hij een-derde deel van zijn aandelenportefeuille belegd in Egyptische fondsen waarvan de kredietwaardigheid feitelijk alleen gegarandeerd werd door de mogelijkheid Britse druk uit te oefenen. Men kan er twee dingen uit afleiden. Ten eerste: de Britse hegemonie was voor Gladstone blijkbaar zo vanzelfsprekend dat deze zelfs zonder 'imperialisme' gehandhaafd zou kunnen worden. Ten tweede: er bestond geen code die politici van belangenverstrengeling weerhield en Gladstone meende blijkbaar dat hij moreel zo hoog stond dat er geen problemen zouden ontstaan. Natuurlijk is dit in onze ogen hypocriet. Interessanter is echter na te gaan hoe de negentiende eeuw allerlei zaken combineerde die voor ons gevoel onverenigbaar zijn.

Wie bij Gladstone zoekt naar een antwoord op deze vraag, zal de achtergrond van zijn moralisme en ethische bevlogenheid moeten bestuderen. Ook hier is een snel antwoord mogelijk, zoals een blik in zijn persoonlijk leven leert. Uit religieuze inspiratie stelde hij zich daarin bloot aan verleiding. Beroemd zijn z'n tochten door donker Londen op zoek naar prostituées die hij de reddende hand kon toesteken. Hij hield die tochten vol tot na zijn tachtigste. Bij die momenten dat het reddingswerk in iets anders dan onzelfzuchtige geestelijke ondersteuning dreigde over te gaan, noteerde Gladstone in zijn dagboek een kruis. Er zijn jaren waarin hij veel kruisen plaatste.

Het zeer beperkte succes was geen reden het reddingswerk te staken; de verleiding was dat ook niet en met enkele voormalige prostituées verkeerde Gladstone op vertrouwelijke voet. Zijn vrouw was niet van alles op de hoogte, maar zijn huwelijk was niettemin goed. Als de verleiding te sterk werd, ging Gladstone wel over tot zelfkastijding, een praktijk die hij geruime tijd beoefende. Het snelle antwoord van onze post-Freud-wereld is natuurlijk: de religieuze inspiratie was een verbloemde, nauwelijks gesublimeerde seksuele drift. Wie het daarbij laat, gaat voorbij aan wat voor Gladstone zelf de kern van de zaak was: zijn religieuze wereldbeeld.

Religieuze roeping

Uit religieuze inspiratie begon Gladstone zijn politieke loopbaan. Uit religieuze inspiratie beëindigde hij haar voor de eerste maal in 1875 om zich te kunnen wijden aan theologie en kerk. En het was een religieuze 'roeping' die hem voor de tweede keer op het politieke toneel bracht. Zijn liberalisme was door en door religieus. In het liberalisme ging het volgens hem om de christelijke waarde van de individuele mens; en uit christelijk radicalisme maakte hij van het Victoriaanse liberalisme een massabeweging met veel aanhang onder werklieden en arbeiders. In de Nederlandse politiek van zijn tijd zou hij zich niet hebben thuisgevoeld, omdat zijn radicale evangelische inspiratie er onder liberalen schaars was, terwijl antirevolutionairen niet liberaal genoeg waren (omgekeerd zagen Nederlandse liberalen èn antirevolutionairen in hem een voorbeeld).

In alles stond het geloof voorop. Ambitie kwam in zijn woordenboek niet voor; inspiratie en roeping, dat was het. We zijn nu snel geneigd het woord naïef te gebruiken. Doorzag hij zichzelf dan zo weinig? En hoe is het mogelijk dat hij zijn openlijk bedreven reddingswerk - dat een cynische tijdgenoot al als een typisch geval van 'too little sexual intercourse' zag - pas wilde onderbreken toen een geestverwant hem van de politieke risico's van de 'laaghartigheid' van de wereld overtuigde? Maar als dit naïviteit was, hoe is het dan mogelijk dat dezelfde man de dominante politicus van zijn tijd was?

Zijn christelijke levensvisie betekende misschien niet zozeer argeloosheid als wel een besliste keuze de werkelijkheid op een bepaalde manier te interpreteren. Voor ons zijn economische conjunctuur, het onderbewuste en seksualiteit 'reëler' dan religieus idealisme, voor Gladstone was dat omgekeerd. Matthew tracht aan het verschil tussen zijn en onze wereld recht te doen. Gemakkelijk is dat niet. In zijn eerste deel kondigt hij het hele boek door de seksuele 'crisis' van de jaren veertig aan. Maar wat die crisis blijkt te behelzen is bijna een anticlimax. Zelfkastijding, reddingswerk, een speurtocht naar ontspoorde vrouwen op het continent, merkwaardig is het allemaal wel, maar totaal in de war is Gladstone niet geweest, al vond hij het kort voor zijn dood toch nodig plechtig vast te leggen dat hij nooit ontrouw was geweest aan het 'echtelijk bed'.

Enkele 'opdrachten'

Met de nadruk waarmee Matthew de seksuele crisis aankondigt, lijkt hij te willen zeggen: ik ben misschien een traditioneel maar geen ouderwets historicus. De subtiliteit van zijn analyse laat overigens niet veel te wensen over. Hij voorkomt reductie van Gladstones evangelische radicalisme tot een element van (seksuele) spanning, terwijl de speciale toon ervan wel beter navoelbaar wordt.

Matthew is de Gladstone-specialist bij uitstek, merkt ook Roy Jenkins op in zijn onlangs verschenen Gladstone-biografie. Jenkins geeft hem graag deze eer en doet zelf geen nieuw onderzoek. Toch is zijn boek interessant, al is het wel wat dik. Het is iets meer een 'Gladstone voor beginners' die minder bekend veronderstelt en tegelijkertijd een duidelijk beeld biedt. Op het punt van de seksualiteit bijvoorbeeld is Jenkins minder omzichtig dan Matthew, een teken dat hij minder vergroeid is met zijn onderwerp. De attractie van zijn boek is natuurlijk niet in de laatste plaats dat Jenkins enigszins met Gladstone vergelijkbaar is: hij heeft een reeks boeken op zijn naam staan, bekleedt een hoge universitaire positie en heeft een imposante politieke carrière achter de rug als minister en leider van de sociaal-democratische partij. Het verbaast dan ook niet dat Jenkins erg goed is in zijn beschrijving van Gladstones parlementaire loopbaan. Daarbij vergeleken komen diens niet onaanzienlijke buitenparlementaire politieke activiteiten er echter wat bekaaid af.

Gladstone nam naar eigen overtuiging het politiek leiderschap hoofdzakelijk weer op zich om een 'opdracht' te vervullen: enkele kabinetten lang streed hij tevergeefs voor Iers zelfbestuur. Omdat hij de indruk liet bestaan zo snel mogelijk weer naar zijn ambteloos bestaan te willen terugkeren, kreeg zijn politiek een bijna onthecht karakter: een man van rijpe leeftijd, teruggekeerd om de goede strijd te strijden.

Gladstone was een geweldig redenaar die deze positie uitbuitte. In de beroemde Midlothian-verkiezingscampagne waarmee hij werkelijk terugkeerde in de politiek, presenteerde hij zich aan zijn aanhang als een 'vreemdeling'. Hij kon daarmee juist die mensen boeien die nog buiten de politiek stonden of zich daar buitengesloten voelden. Hij sprak veelal in kerken waar met liederen en anderszins de sfeer van een religieuze opwekkingsbeweging ontstond. Zelf sprak hij dan als het ware de preek uit, ook in de zin dat zijn redes serieuze en rationele overdenkingen waren, geen pure demagogie. Zijn stem die hem pas in de laatste jaren nu en dan in de steek liet, maakte het mogelijk 25.000 mensen in een keer toe te spreken - zonder versterking en in een ruimte met een gebrekkige akoestiek. Omdat hij dè politicus van zijn tijd was, konden zelfs dagbladen van een andere politieke richting er bovendien niet omheen zijn redes in extenso te publiceren zodat ze een massapubliek bereikten. Het gaat niet te ver in hem daarom een van de vormgevers van de stijl van de moderne massademocratie te zien: rationele uitleg van belangrijke politieke thema's op een manier die een groot publiek kan aanspreken. Zijn populariteit ging nu zover dat zijn naam en beeltenis in allerlei snuisterijen werden verwerkt. Als antwoord daarop gebruikten zijn tegenstanders graag een po met een afbeelding van Gladstone aan de binnenzijde.

Optimist

Gladstone wist het Engelse liberalisme tot een massabeweging om te vormen. Hij deed dat natuurlijk niet alleen, maar was wel de belangrijkste factor in een beweging die het nog lang meer van charismatisch leiderschap dan van strakke partij-organisatie moest hebben. Terwijl het liberalisme in veel landen van Europa in het laatste kwart van de negentiende eeuw kwijnde, begon het in Engeland aan een nieuwe jeugd onder aanvoering van een grijsaard. Hij was een onverwoestbare optimist die in iedere nederlaag een overwinning wist te zien.Tegenover de stoere retoriek van het agressieve imperialisme stelde Gladstone een meeslepende progressieve stijl die duidelijk maakt dat een jonge democratie het niet zonder retorica kan stellen. Het is daarom niet verwonderlijk dat zijn laatste regeringszitting bekend staat als de 'blubbering cabinet', het snotterende kabinet. Twee ministers trachtten iets te zeggen, maar de stem van de eerste brak en de tweede wist niet beter te doen dan zijn lofrede voor te lezen. Gladstone zat er ogenschijnlijk onbewogen bij. In zijn dagboek noteerde hij: “Laatste kabinetszitting. Een werkelijk roerend tafereel.”