'VVCS IS NIET LOS TE MAKEN VAN FAMILIE JANSEN'

Wegens het bereiken van de zeventigjarige leeftijd nam hij onlangs al afscheid op de algemene vergadering en werd hij wegens bewezen diensten benoemd tot bondsridder van de KNVB. Dinsdag is KAREL JANSEN in Liverpool officieel voor het laatst in functie als bestuurslid technische zaken betaald voetbal. Door die baan heeft hij drie jaar lang de turbulente ontwikkelingen bij zijn geesteskind de VVCS van een afstand moeten bekijken. Vanaf nu zal hij zijn rol als adviseur van de spelersvakbond inhoud geven.

Als voetballer was Karel Jansen een middenvelder van het type Jan Wouters. Hij kon op een fatsoenlijke wijze een tegenstander uitschakelen, maar bezat ook aanvallende kwaliteiten. Hij speelde in de jaren vijftig tien seizoenen onafgebroken in het eerste van ADO. Dat bezat toen een legendarisch team. “We hadden een vijfmans-voorhoede met onder anderen Theo Timmermans, Carol Schuurman en Mick Clavan. We speelden verder met drie verdedigers en twee middenvelders. Het was mede door deze speelwijze een spectaculair elftal met een geweldige slagkracht. Het Zuiderpark was elke thuiswedstrijd uitverkocht. We hebben vijf jaar, zes jaar alles opgerold. We waren de evenknie van Feyenoord en Ajax. Het doet me nog steeds pijn dat FC Den Haag momenteel zover is weggezakt.”

Een van zijn beste herinneringen bewaart hij aan Ajax-ADO in 1958. “Vroeger speelde je met Kerstmis, Pasen en Pinksteren de zogenoemde dubbels. We stonden er tegen de Kerst van '58 op de ranglijst niet zo best voor en hadden thuis met 3-4 verloren. Op 28 december had het gehoosd in De Meer. Ik werd op de 1.90 meter lange Wim Bleijenberg gezet, want die had bij ons twee keer gescoord. Geen eenvoudige klus omdat hij een kop groter was en twee keer zo breed. Hij ging vreselijk tegen me te keer. Toen werd er ook al alles geroepen door spelers en publiek. Daar lag je echt niet wakker van, want je deed het even hard terug. Ik had donker haar, dus ik kreeg nog weleens 'vieze zwarte flikker' naar m'n hoofd geslingerd.

“Ik zorgde er met een sliding steeds voor dat Bleijenberg niet in zijn spel kwam. Maar in de 85ste minuut scoorde hij uit een corner toch 3-2. Hij begon me meteen te jennen. Twee minuten voor tijd zette ik met Lex Rijnvis een aanval op, waaruit Schuurman de gelijkmaker scoorde. 'Die zat er aardig in”, riep ik toen tegen Bleijenberg. Ajax ontplofte. Piet van der Kuil kon niet tegen zijn verlies en liep zo het veld af. Onder het slijk gingen we naar de kleedkamer en bij de tribune kreeg ik een striemend fluitconcert. Dat zijn dingen waar je nu nog van kan genieten.”

Drie jaar later, op 1 januari 1961, zou Karel Jansen de Vereniging Voor Contract Spelers stichten. In de eerste jaren van het betaalde voetbal, dat in 1956 was begonnen, hadden de beroepsvoetballers veel plichten maar weinig rechten. “We speelden op een eenvoudig contract voor het verrichten van enkele diensten. Je was niet verzekerd tegen de risico's van het vak. Voor het minste of geringste kreeg je een boete.

“Achter de schermen was een aantal mensen al vanaf '56 bezig de spelers te mobiliseren. Dat waren volgens de bond de verkeerde initiatiefnemers. Als reactie daarop kwam de KNVB met een commissie onder leiding van Dé Stoop. Hiervoor werd ik als aanvoerder van ADO ook gevraagd. Deze voorbode van de VVCS was een zinloos orgaan. Je moest als het ware met de pet in de hand vragen om je rechten. Daarom ben ik in 1961 overgegaan tot het stichten van een vereniging. Theo Timmermans werd de eerste voorzitter. Later, in 1964, zouden ook Roel Wiersma, Gerard Kerkum, Arend van der Wel en Cor Brom toetreden tot het bestuur.

“Ik had een sterke groep topspelers bereid gevonden mee te doen. Dat was niet zo moeilijk, want er bestonden nog steeds helemaal geen voorzieningen. De contacten legde je na de wedstrijd in het clubhuis. Tegenwoordig stapt iedere voetballer onmiddellijk in de bus, maar vroeger bleef je urenlang napraten. KNVB-voorzitter Toon Martens was geen voorstander van de vakbond. Secretaris-generaal Lo Brunt, de grote baas van de KNVB, daarentegen heeft ons vanaf het begin ondersteund. Dat was een geweldenaar met een sociaal hart.

“De eerste jaren hadden ik en mijn vrouw Wil, die de administratie verzorgde, een kantoortje ingericht op een van de slaapkamers van onze zonen Rob en Karel die toen 5 en 3 jaar oud waren. We woonden vierhoog op een flatje in Rijswijk. 'Waar ben jij nou mee bezig', zei Brunt toen hij een keer bij ons thuis kwam. Binnen een week had hij een grotere woning voor ons geregeld op de Laan van Meerdervoort in Den Haag.”

De afgelopen tien jaar huist de VVCS in een chique kantoorpand in Gouda. Buitenstaanders zetten nog weleens vraagtekens bij zoveel luxe. “Maar eigenlijk bezit de VVCS in Gouda slechts vier vertrekken. De rest is ingericht voor het contractspelersfonds CFK.” Dit pensioenfonds, opgericht door de VVCS, zorgt voor een fiscaal vriendelijke regeling voor profvoetballers. Jansen noemt het “een parel op de kroon van de VVCS”.

Dat had ook de commerciële tak Sport Promotion moeten worden, maar met deze inmiddels verzelfstandigde afdeling liep het anders. Zoon en directeur Rob Jansen, die vijftien jaar geleden het familiebedrijf ging versterken, moest zich afgelopen zomer onder interne en externe druk afscheiden van de VVCS. Zijn commerciële activiteiten werden niet meer als des vakbonds beschouwd. Dat werd onder andere onderschreven door een commissie van wijze mannen die de fiscaal aantrekkelijke Antillenroute onderzocht.

“Wie maakt nou uit of iets wel of niet thuishoort in het kader van de belangenbehartiging van vakbondsleden”, vraagt vader Karel zich in gemoede af. “Dat moeten de leden van die vakvereniging toch zelf doen? Het was ook niet de taak van de commissie hierover te oordelen. Die moest onderzoeken of het bewandelen van de Antillenroute geoorloofd is voor profvoetballers en daar bleek niets op aan te merken.”

De huidige voorzitter van de VVCS, Theo van Seggelen, vond het echter niet op het terrein van de vakbond liggen dat Rob Jansen zich naast contractbegeleiding ook ging bezighouden met arbeidsbemiddeling, ofwel het zoeken naar een club voor een speler. Vader Karel wil ook dat nuanceren. “In het betaalde voetbal hebben veel mensen ponden boter op hun hoofd. Er is nu een nieuwe wet arbeidsbemiddeling die alles over één kam scheert. Een papieren tijger. Wij hebben ons altijd voorgehouden dat de begeleiding van spelers op een ordentelijke manier moet gebeuren onder controle van de overheid, de KNVB, UEFA of FIFA. “De laatste vijf jaar is er in Nederland op het gebied van transfers een grote ontwikkeling gekomen. De cruciale vraag voor ons was: laat je dat liggen of pak je het op? Dat laatste hebben we gedaan. Tevens werd Rob belast met het ontwikkelen van een bijzonder servicepakket voor topspelers onder invloed van de sterk toegenomen commerciële activiteiten. Hij sluit managementscontracten af met clubs om uit de kosten te komen en salarissen te betalen. Maar ook bij Sport Promotion zijn de beginselen van de vakbeweging verankerd. De spelers in Nederland worden door Rob kosteloos begeleid.”

Toch moet Karel Jansen bekennen dat het hem pijn heeft gedaan dat Rob met Sport Promotion de commerciële weg is ingeslagen en daardoor zijn bestuurszetel bij de VVCS heeft moeten opgeven. Het betekent dat z'n zoon zijn levenswerk niet zal voortzetten. “Ik heb altijd een tweekoppige leiding voor ogen gehad: Rob Jansen en Theo van Seggelen. Rob wegens zijn kwaliteiten op het gebied van onderhandelingen. En Theo gezien zijn organisatorische talenten. Dit tweetal is uit elkaar gevallen dat is niet goed voor de VVCS. Als vader zie je graag dat je zoon in je voetsporen treedt. Rob is zijn eigen weg gegaan. Daar heeft hij natuurlijk het recht toe. Sport Promotion zonder Rob Jansen is niets waard. Iemand die tachtig uur per week werkt en over bijzondere gave beschikt mag ook navenant betaald worden. De VVCS heeft veel geprofiteerd van zijn succes omdat de opbrengsten van Sport Promotion deels weer ten goede kwamen aan de contractbegeleiding.”

Even leek het erop of de VVCS helemaal verder zou gaan zonder de Jansens. De zeventige jarige grondlegger is immers ook niet de jongste meer. Maar spoedig zal hij zijn rol als adviseur inhoud gaan geven. “Dit achterlijke land zegt dat wanneer je zeventig bent je op je rug moet gaan liggen. Dat ben ik niet van plan, daarvoor voel ik me nog te vitaal. Bovendien is dit bedrijf niet te runnen door één man. Ik heb nog steeds het volste vertrouwen in Theo van Seggelen. Ik ben ooit aangesteld als adviseur voor het leven. “De VVCS is emotioneel en feitelijk niet los te koppelen van de familie Jansen. Er liggen keiharde afspraken die God zij dank de band in stand houden. Tussen Rob en de VVCS is een scheiding van verantwoordelijkheden opgetreden. Maar er bestaat nu een samenwerkingsovereenkomst op zakelijke basis. Hij zal op termijn een eigen kantoor betrekken. Van een breuk is geen sprake. Ik heb dat ook nooit zo gevoeld.”

Tijdens het gesprek reageert Jansen terloops op de aanvallen van buitenaf. Hij sluit dan de ogen om zich te concentreren op elke zin. “Als je succes hebt in Nederland word je een soort schietschijf. Dat doet pijn. Je went er nooit aan, het hoort kennelijk bij het spel. Er is in de beroepsvoetbalwereld een gigantisch roddelcircuit waar journalisten op inspelen. Dat moet je ook niet los zien van de ontwikkelingen op mediagebied waar een struggle for life is ontstaan. De VVCS zou te veel macht hebben gekregen. Dat zeggen alleen nitwitten, zielige figuren die zelf nooit wat hebben gepresteerd in het betaalde voetbal. We hebben daar waar de besluitvorming plaats heeft invloed verworven om de belangen van de spelers te verdedigen.”

Dat de VVCS onlangs ontbrak bij de transfer van Leonard van Utrecht, die Cambuur verruilde voor Padova, wil Jansen geenszins goedpraten. Hoewel de overeenkomst tot stand kwam dankzij tussenkomst van een illegale makelaar. “Wat er ook gebeurt, een speler heeft altijd recht op begeleiding. De beginselen van de vakbond mag je in zo'n geval niet laten prevaleren. Er had iemand van ons mee moeten reizen naar Padova. Al heb ik begrepen dat de besprekingen met Van Utrecht al in Nederland waren afgerond. In Padova ging het nog om de transfersom voor Cambuur.”

Drie jaar heeft Jansen passief moeten toekijken hoe zijn levenswerk werd voortgezet. Op veler verzoek, zo stelt hij zelf, stapte hij in het sectiebestuur betaald voetbal. Met de portefeuille technische zaken op zak, werd hij al snel betrokken bij de Cruijff-affaire rondom het Nederlands elftal. “Dat Johan geen bondscoach is geworden op het WK in Amerika werd door iedereen betreurd. We streefden unaniem naar zijn komst. Maar wel in een bepaald tijdspad gegoten en daar is het juist op stuk gelopen.”

De samenwerking in het sectiebestuur is onder de “moderne manager” Jos Staatsen volgens Jansen altijd optimaal geweest. “De zaken werden steeds openhartig met elkaar besproken. Het was een prettige periode. Soms werd onbewust weleens vergeten dat de spelers ook gekend moesten worden in de besluitvorming. Dan had ik even twee petten op en wees ze op het feit dat de Centrale Spelersraad moest worden ingeschakeld?”

Jansen vormde met Theo Aalbers en Gerard Bouwer tussen een aantal topmanagers het blok van bestuurders die een echte voetbalachtergrond hadden. Hij is er niet helemaal zeker van of zijn opvolger Theo van Duivenbode en Henk Kesler (FC Twente) in dit opzicht opnieuw genoeg tegenwicht kunnen bieden in het college.

Aan den lijve heeft Jansen de afgelopen drie jaar ondervonden hoeveel tijd het baantje van sectiebestuurder opslokt. Hij pleit daarom voor vijf bezoldigde bestuurders. “De kerngroep is soms wel twintig tot dertig uur per week in touw voor de KNVB. Dat valt niet meer op te brengen voor mensen die in de maatschappij ook nog een belangrijke functie vervullen. Aan brainstormen kom je nauwelijks toe. Als je praat over een volwaardige bedrijfstak zou je naar een raad van bestuur moeten met bezoldigde leden.”