Voor Europese muntunie begint de race tegen de klok

Volgend weekeinde zullen de Europese staatshoofden en regeringsleiders in Madrid de laatste beslissingen nemen over de voorbereiding van de Economische en Monetaire Unie. Drie jaar zijn er nog te gaan, en een onnoemelijke hoeveelheid werk moet nog worden verzet. Terwijl de Europese leiders zich binnenskamers buigen over zaken als het uiterlijk en de naam van de nieuwe munt slaat buiten bij hun electoraat de twijfel toe over de Euro-munt: in Frankrijk rijst het verzet, in Duitsland groeit de twijfel en tot overmaat van ramp valt ook de economische groei tegen.

AMSTERDAM, 9 DEC. “Het Franse volk heeft hoop, dromen en passie nodig” om het te inspireren voor de Europese muntunie, geen koud en technocratisch beleid van tekortreducties. Zo verdedigde de voormalige Franse minister en gaullistisch parlementslid Charles Pasqua twee dagen terug zijn pleidooi om de ingangsdatum van de muntunie uit te stellen. Rijzend verzet in Frankrijk, groeiende twijfel in Duitsland en tegenvallende economische groei vormen de achtergrond waartegen de Europese staatshoofden en regeringsleiders volgend weekeinde in Madrid de laatste knopen doorhakken over de voorbereidingen voor de Economische en Monetaire Unie in 1999.

Drie jaar zijn er nog te gaan, en een onnoemelijke hoeveelheid werk. Terwijl de leiders van de lidstaten zich volgende week binnenskamers buigen over zaken als het uiterlijk en de naam van de nieuwe munt en het traject voor girale en chartale invoering (munten en bankbiljetten), slaat buiten bij hun electoraat de twijfel toe over de munt waarvan de naam volgende week om deze tijd vast moet staan.

Die munt is veel meer dan een wettig betaalmiddel dat drie jaar na de invoering van de muntunie door een groot deel van Europa gebruikt zal gaan worden. De monetaire eenwording is de bekroning van veertig jaar economische integratie, verlost het bedrijfsleven van verstorende wisselkoersen, maakt van Europa het level playing field dat ondernemers zich zo graag wensen, garandeert de Franse wens voor een blijvende verankering van het machtige Duitsland in de Unie en maakt het uitkomen van de Duitse wens voor Brusselse besluitvorming bij meerderheid op termijn onontkoombaar. In Madrid staat het Europese 'project van de eeuw' op stapel, maar of het deze eeuw wordt, is steeds meer onzeker.

In 1999, zo stelt het Verdrag van Maastricht, gaat de muntunie automatisch van start met de lidstaten die zich daarvoor kwalificeren. Zij mogen een begrotingstekort hebben van maximaal drie procent, en een staatsschuld van maximaal 60 procent van het bruto binnenlands produkt - of moeten die norm de laatste jaren in een bevredigend tempo dicht zijn genaderd. Inflatie en rente moeten laag zijn, en de munt moet twee jaar deel uit hebben gemaakt van het Europese wisselkoersstelsel.

In de eerste maanden van 1998 zal worden bekeken welke lidstaten over 1997 aan de criteria hebben voldaan en zullen worden toegelaten tot de muntunie. Twee landen, Denemarken en Groot-Brittannië, zijn niet gebonden aan de verplichting in 1999 mee te doen. Van andere lidstaten als Italië en Spanje, vergt de sanering van de overheidsfinanciën te veel inspanning om in 1997 al de normen te halen.

Zo is gaandeweg een informele groep lidstaten ontstaan die in 1999 de voorhoede van de muntunie moet gaan vormen: Duitsland, Frankrijk, de Benelux-landen, Ierland, wellicht Oostenrijk en heel misschien de Scandinavische lidstaten. Maar juist in de twee grootmachten slaat de twijfel toe. Het hechte front van politiek, bankiers en grote bedrijven in Europa's monetaire kern ontmoet weerstand van onderaf. Zowel zonder Duitsland als zonder Frankrijk is de muntunie ondenkbaar, maar een meerderheid van de Duitse kiezers toont zich geen voorstander meer van 1999. En de bezuinigingsinspanning die Frankrijk nog zal moeten leveren om aan de eisen te voldoen stuit op groot verzet.

De grotere blootstelling aan de wereldmarkt en de opkomst van nieuwe mondiale concurrenten vroeg in Europa om een antwoord in de vorm van een slagvaardiger, flexibeler economie met een concurrerend kostenniveau. Dat vergt een pijnlijk aanpassingsproces van de Europese burger. Het 'Rijnlandse model' van de welvaartsstaat moet worden hervormd. Maar tegelijkertijd dringt de noodzaak in Europa korte metten te maken met de financiële fouten uit het verleden: een hoge staatsschuld veroorzaakt door het jarenlange leven op te grote voet en een hoog begrotingstekort, veroorzaakt door de politieke onmacht om daarin in te grijpen. De modernisering van de economie vraagt Europa's burgers enerzijds genoegen te nemen met tegenvallers als minder werkzekerheid, meer beloning naar prestatie en wisselende arbeidstijden. De gelijktijdige sanering van de overheidsfinanciën breekt intussen het financiële vangnet af dat de staat al die jaren voor zijn burgers had gespannen.

De vraag of dat allemaal niet te veel is in één keer wordt deze weken in de straten van Parijs beantwoord, waar het protest tegen de maatschappelijke veranderingen door premier Juppé's bezuinigingsplannen gaandeweg een grotere rol lijkt te gaan spelen dan de weerstand tegen de directe financiële consequenties. De sanering van de overheidsfinanciën is overal in Europa een noodzaak - ook zonder Maastricht-criteria. Maar de aanstormende muntunie geeft de verschraling van de welvaartsstaat een concreet gezicht.

De EMU dreigt niet alleen in Frankrijk, maar ook in Duitsland het symbool te worden van de afbraak van de gekoesterde verworvenheden die zijn opgebouwd. De scepsis onder het Duitse publiek om de harde mark, het symbool van het eigen na-oorlogse succes, in te ruilen voor een zwakkere Europese munt, groeit. Bondskanselier Kohls sociaal-democratische oppositie dreigt het verdwijnen van de mark tot thema te maken van de Bondsdagverkiezingen in 1998 of daarvóór. De Bondsdag heeft, bij uitspraak van het Duitse Constitutionele Hof, het laatste woord over Duitslands deelname aan de EMU.

Het tij kan alleen maar worden gekeerd met de garantie dat de nieuwe munt even hard zal zijn als de mark nu. Duitsland kan daarom geen genoegen nemen met een ruime uitleg van de begrotingscriteria voor Europese lidstaten die niet aan de eisen voldoen. Maar strikte handhaving van de criteria is al niet voldoende meer om het thuisfront te kalmeren. Minister van financiën Theo Waigel presenteerde onlangs zijn voorstel voor een 'stabiliteitspact', waarin de deelnemende landen aan de muntunie zouden moeten vastleggen te streven naar een begrotingstekort van 1 procent, op straffe van zware financiële sancties.

Terwijl Duitsland om binnenlandse politieke redenen de teugels voor de muntunie steeds strakker aanhaalt, moet Frankrijk de binnenlandse druk weerstaan om ze juist te laten vieren. De discussie in Frankrijk om de hoge werkloosheid van 11,5 procent als verzachtende omstandigheid bij de beoordeling van het behalen van de Maastricht-criteria mee te laten tellen, is deze week weer opgelaaid.

Bondskanselier Kohl wist president Chirac tijdens een gezamenlijk onderhoud in oktober nog te transformeren van de op expansie, werkgelegenheid én lastenverlichting gerichte presidentskandaat in een overtuigd saneerder van de Franse staatsfinanciën - en gaf daarmee onbewust het startsein voor de protesten in Parijs. Eergisteren herhaalden beiden in het Duitse Baden-Baden hun streven naar 1999 als begindatum van de EMU, en onderstreepten nogmaals dat aan de criteria niet wordt getornd. Maar met elke sneer in Bild en iedere extra stakingsdag in Frankrijk wordt de Frans-Duitse monetaire samenwerking verder op de proef gesteld.

Ironisch genoeg lijkt juist de burger zichzelf een voorname bijrol te geven bij het al dan niet slagen van de muntunie. Is het niet via de stembus of op straat, dan wel via zijn bestedingspatroon. Het economisch herstel van de recessie van begin jaren negentig stokt op dit moment, en een van de voornaamste oorzaken wordt door economen gezocht in achterblijvende binnenlandse bestedingen. De bezuinigingen op de overheidsfinanciën, al dan niet bereikt door lagere inkomensoverdrachten, stagnerende ambtenarensalarissen of hogere belastingen, hebben een nadelige invloed op de koopkrachtontwikkeling. De toekomstige onzekerheid noopt de burger tegelijkertijd tot een grotere spaarzin. Zijn inkomen stagneert, en daarvan zet hij ook nog eens méér opzij.

De sanering van de overheidsfinanciën leidt tot een lagere rente en hogere economische groei, de grotere spaarzin van de burgers tot hogere investeringen. Maar beide effecten hebben plaats op de langere termijn, terwijl de nadelen zich eerder voordoen. Door de pauze in de economische groei die zich op dit moment voordoet, wordt het behalen van de Maastricht-criteria in 1997 moeilijker. De muntunie loopt, in meerdere opzichten, een race tegen de klok.

De tijdelijke economische terugval van nu, die volgens de gangbare lezing normaal is in deze periode van de conjunctuur, dreigt zich te verdiepen, en de economische groeiscenario's voor de eerstvolgende twee jaar komen in gevaar. Voor Duitsland zijn voor het jaar 1996 de prognoses al verlaagd van 3 procent eerder dit jaar tot onder de 2 procent. De Franse regering schroefde woensdag de verwachtingen voor 1995 terug van 2,9 procent groei naar 2,5 procent, en die voor 1996 naar rond 2 procent. Maar de overheersende prognoses op de financiële markten halen de 2 procent al niet meer en zelfs een kleine recessie wordt al niet meer niet uitgesloten. Zowel in Duitsland als Frankrijk stijgt op dit moment de al hoge werkloosheid.

Juist een gemiddelde economische groei van jaarlijks 2,5 procent ligt ten grondslag aan de conclusie van de Europese Commissie vorige week, dat een muntunie in 1999 met een afdoende aantal deelnemers haalbaar is. Valt die groei tegen, dan wordt het voor een groter aantal landen nog moeilijker om aan de Maastricht-criteria te voldoen. Wanneer de economische groei in de komende twee jaar echt tegenvalt dan is het afgezien van de politieke haalbaarheid van de al voorgenomen bezuinigingen, voor met name Frankrijk uiterst moeilijk om in het 'ijkjaar' 1997 aan het begrotingscriterium te voldoen. Nog hardere bezuinigingen om mogelijke financiële tegenvallers te compenseren zijn de enige oplossing.

Frankrijk is niet het enige probleemland in de ivy league van gezworen EMU-landen. België zal in het scenario van de Europese Commissie een extra bezuinigingsinspanning moeten leveren om het begrotingstekort (3,5 procent bij ongewijzigd beleid) in 1997 onder de 3 procentsnorm te krijgen, en overschrijdt met een slechts marginaal dalende staatsschuldquote van 130 procent de schuldnorm met ruim het dubbele. Oostenrijk haalt het bij ongewijzigd beleid op beide normen niet in 1997. Ook Nederland zal meer moeten bezuinigen om een dalende staatsschuldquote te laten zien. Alleen Ierland, dat een te hoge, maar dalende schuldquote heeft, en Luxemburg voldoen van de kleinere aspirant-leden van de EMU aan alle criteria. Zelfs Duitsland zal, bij de geringste overschrijding van de begrotingsnorm, zijn staatsschuld zien stijgen tot boven de grens van 60 procent. De huidige groeipauze in de Europese economie is daar nog niet bij ingecalculeerd.

Pag.15: Bankiers gruwen van wat wordt genoemd 'monetair Schengen'

Een volgend, nijpend probleem dat 'Madrid' zal moeten oplossen is het tijdstip waarop in 1998 zal worden bepaald welke lidstaten mee mogen doen. Frankrijk pleit voor een zo vroeg mogelijk moment, vóór de parlementsverkiezingen. Duitsland wil zo lang mogelijk wachten op betrouwbare begrotingsgegevens over 1997 om te voorkomen dat de muntunie van start gaat op basis van voorlopige begrotingsramingen. In de drie jaar die resten tot 1999 wordt het voor de commerciële en centrale banken, de eerste dragers van de muntunie, moeilijk maar haalbaar om zich voor te bereiden. Maar de tijd die rest tussen de uiteindelijke keuze begin 1998 van de deelnemende landen en de ingangsdatum in 1999 is zeer krap. Omdat dan de deelnemers aan de muntunie pas bekend zijn, zullen daarna pas alle nieuwe monetaire instrumenten en systemen kunnen worden geïnstalleerd en, minstens even belangrijk, getest. Het gaat hier immers niet om een haperend pasjessysteem op Schiphol, maar om systemen die niet mogen falen. Bankiers gruwen bij de gedachte aan van wat een van hen al een “monetair Schengen” noemt.

De Duitse minister van financiën Theo Waigel dreigde afgelopen september al met uitstel van de muntunie. Op de financiële markten gaan steeds meer partijen daar al openlijk van uit. De regeringsleiders volgende week in Madrid kunnen dat niet: nu al aankondigen dat de startdatum zou kunnen worden verlegd zou de druk van de ketel halen om de overheidsfinanciën in Europa verder te saneren. En de voorbereidingen voor de muntunie zijn zo veelomvattend, dat een openlijk geventileerde twijfel over de start van de EMU het hele proces in de war zou sturen. Voorzitter Jacques Santer van de Europese Commissie waarschuwde deze week dat het Europese integratieproces “jaren wordt teruggeworpen” als het tot uitstel komt.

Zo kan 'Madrid' volgende week maar één centrale boodschap hebben, in de vorm van de bekende verkondiging aan het publiek en de financiële markten: natuurlijk komt de muntunie er in 1999 en aan de criteria wordt niet gemorreld. Het zal bloed, zweet en tranen kosten om dat waar te maken. Voor 'hoop, dromen en passie' is voorlopig geen plaats.