Vendetta tussen politieke 'zusters' verlamt Bangladesh

In Bangladesh werden deze week parlementsverkiezingen aangekondigd voor 18 januari. Iedereen hoopt dat het straatarme land zich eindelijk kan ontworstelen aan de al jaren alles verlammende vendetta tussen twee vrouwen: de premier en de oppositieleider.

NEW DELHI, 9 DEC. Vijf jaar geleden streden Khaleda Zia en Sheikh Hasina nog gezamenlijk voor een herstel van de democratie in Bangladesh en noemden elkaar bijna liefkozend 'zuster'. Intussen zijn de twee meest vooraanstaande vrouwen van Bangladesh, nu respectievelijk premier en oppositieleider, van een diepe haat voor elkaar vervuld. Doelbewust gaan ze persoonlijke ontmoetingen met elkaar uit de weg, opdat ze elkaar maar niet de hand hoeven te drukken.

Vooral Sheikh Hasina, dochter van de vermoorde stichter van Bangladesh, Sheikh Mujibur Rahman, heeft al in geen jaren iets positiefs opgemerkt over haar rivale. Nadat Khaleda Zia nieuwe verkiezingen had uitgeschreven zonder dat duidelijk was wie daarop het toezicht zou houden, ontstak Sheikh Hasina zoals gewoonlijk in woede en sprak: “Wij kunnen niet deelnemen aan verkiezingen onder toezicht van mevrouw Zia want dat zou betekenen dat we onszelf in de hel zouden roosteren.”

Sheikh Hasina heeft nooit kunnen verkroppen dat niet zij na de verkiezingen van begin 1991 premier werd maar Zia, de weduwe van de in 1981 vermoorde generaal Zia ur Rahman. Weliswaar had Zia's Nationale Partij (BNP) meer zetels gewonnen dan Hasina's Awami-Liga, maar ook de BNP had geen absolute meerderheid. Slechts door een gelegenheidscoalitie aan te gaan met de kleine fundamentalistische partij Jamaat-e-Islami kon Zia aan het bewind komen.

Toen de BNP begin vorig jaar op twijfelachtige wijze een tussentijdse verkiezing in een traditioneel Awami-bolwerk won, was de maat voor Hasina vol. Ze begon een niet aflatende campagne voor het onmiddellijke aftreden van de BNP-regering en de vorming van een neutrale interimregering, die toezicht moest houden op nieuwe verkiezingen. Ook wreef Hasina, niet geheel ten onrechte, de voormalige huisvrouw Zia incompetent bestuur aan.

Keer op keer legde Hasina via stakingen de steden plat, soms dagen achtereen. Wie de stakingen niet respecteerde, dreigde door activisten van de Awami-Liga in elkaar te worden geslagen. Per dag kostte dit het land zo'n vijftig miljoen dollar en het is wel zeker dat de Awami-Liga bij de komende verkiezingen niet op veel steun onder de middenstand hoeft te rekenen.

Hierbij liet Hasina het niet. Ze smeedde een coalitie met de aanhangers van de vroeger door haarzelf te vuur en te zwaard bestreden generaal Hossain Mohammad Ershad, die het land tot eind 1990 zeven jaar lang met harde hand regeerde (de generaal verblijft overigens, in slechte gezondheid, in de gevangenis). Ook de fundamentalisten wist ze voor zich te winnen, maar dank zij enkele onafhankelijke parlementariërs kon Zia toch haar regering redden.

Toen Zia bleef weigeren op Hasina's eis in te gaan en erop wees dat ze daartoe constitutioneel ook volstrekt niet verplicht was, verlieten Hasina en haar bondgenoten eind vorig jaar massaal het parlement om daar niet meer terug te keren. De bedoeling van deze vergaande stap was de regering van Zia te kijk te zetten als een ondemocratisch één-partijbewind. Dat het besluit van de oppositie evenmin van een hoog democratisch gehalte was, deerde Hasina niet.

Velen in het land zagen intussen met lede ogen aan hoe het duel tussen de beide Begums (Begum is een soort eretitel voor een islamitische vrouw van aanzien) het land duur kwam te staan. De politieke onrust schrikte veel buitenlandse investeerders af, terwijl de internationale donorgemeenschap (7 procent van het Bengaalse nationaal produkt komt uit buitenlandse hulp) bedenkingen had over het nut van hulp aan zo'n instabiel land. Bemiddelingspogingen van een Australische afgezant van het Gemenebest, Sir Ninian Stephens, bleven vruchteloos en de Amerikaanse onderminister Robin Raphael was tijdens een bezoek aan Dhaka in september al evenmin succesvol.

Intussen kwakkelt Bangladesh voort. Het jaarinkomen van de gemiddelde Bengaal bedraagt slechts 220 dollar en zijn levensverwachting 55,6 jaar. Meer dan tweederde van de 120 miljoen zielen tellende bevolking heeft volgens gegevens van de Verenigde Naties geen toegang tot stromend water en onderwijs. Zo'n 11,5 miljoen kinderen zijn ondervoed. De helft van de bevolking leeft beneden de absolute armoedegrens van de Wereldbank van 1.800 caloriën per dag.

Als de verkiezingen al doorgaan en de oppositie-partijen meedoen, dan staan de kiezers hoe dan ook voor weinig aantrekkelijke keuzemogelijkheden: een incompetente regeringspartij van mevrouw Zia, een het landsbelang met voeten tredende, machtswellustige Awami-Liga van Sheikh Hasina, een partijtje van een gevangen, gewezen militaire leider en een fundamentalistisch partijtje. Of het Bangladesh onder een van deze vier veel beter zou gaan, lijkt twijfelachtig.

    • Floris van Straaten