Turken verwachten clementie als het om erezaak gaat

UTRECHT, 9 DEC. Turken in Nederland zijn gewelddadiger dan andere etnische minderheden, of dan Nederlanders in het algemeen met een vergelijkbare sociaal-economische achtergrond. Het gebruik van geweld - in ieder geval bereidheid daartoe - wordt door hen als wenselijk mannelijk gedrag gezien, of als noodzakelijk bij de verdediging van de eer van de familie. Turkse verdachten van geweldpleging verwachten gerechtelijke clementie als het om een erezaak gaat, want dat is ook de gewoonte bij de rechtspleging in Turkije. Diefstal daarentegen wordt als bijzonder oneervol aangemerkt, en komt onder Turken dan ook minder voor.

Dit concludeert Yücel Yesilgöz in zijn proefschrift 'Allah, Satan en het recht, Communicatie met Turkse verdachten' dat hij aanstaande maandag in Utrecht zal verdedigen. Yeselgöz (1951) baseert zijn conclusies op de bestudering van tientallen dossiers van het Pieter Baan Centrum, waar verdachten van ernstige delicten op hun toerekeningsvatbaarheid worden onderzocht. Hij observeerde bovendien de rechtsgang in 85 andere gevallen. Het onderzoek is vooral kwalitatief en in misdaadstatistieken wordt geen onderscheid naar etnische achtergrond gemaakt. Toch meent Yesilgöz - onder meer door vergelijking van Turkse en Nederlandse misdaadstatistieken - een verantwoorde globale uitspraak te kunnen doen over de mate van gewelddadigheid onder Turken in Nederland.

Turken, en zeker die van het platteland waar verreweg de meeste Turken in Nederland vandaan komen, kennen volgens Yesilgöz een sterke machocultuur zoals het Turkse gezegde 'Een man mag nooit laten zien dat hij ergens bang voor is' aantoont. Veel van hen dragen een vuurwapen of mes bij zich, om zo nodig van hun moed blijk te geven.

Een andere kwestie is de verdediging van de eer, en dan die van de vrouwen van de familie in het bijzonder. Overspeligheid van een vrouw, of het verlies van maagdelijkheid van een meisje, moeten gewroken worden. Zo niet, dan wordt de familie binnen de Turkse gemeenschap met de nek aangekeken. “Dat isolement gaat zeer ver”, zegt Yesilgöz in zijn werkkamer van het Utrechtse Willem Pompe Instituut voor strafrechtswetenschappen, waar hij sinds 1991 criminologisch medewerker is. “Een man zonder eer wordt absoluut niet serieus genomen, niemand zal met hem bevriend willen zijn.” Vaak gaat het niet eens zozeer om de feiten rond het eerverlies, maar om hoe er over gepraat wordt in het koffiehuis. “Doorslaggevend is de vraag of er over je geroddeld wordt of niet.” Zodoende gaat het vaak om vermeend eerverlies.

Yesilgöz behandelt in zijn proefschrift het voorbeeld van een zeventienjarige moedermoordenaar. De moeder gedroeg zich hoerig in de ogen van haar Turkse omgeving. De staf van het Pieter Baan Centrum vond de jongen lichtelijk gestoord vanwege de ijzigheid waarmee hij over zijn vergrijp sprak. Het viel stafleden ook op hoe evenwichtig en vriendelijk hij was bij het (veelvuldige) bezoek van zijn familie. Yesilgöz: “Voor de familie is zo'n jongen een held. Tenslotte maakt hij het voor zijn familieleden mogelijk om zonder schaamte over straat te gaan, om zich in het koffiehuis te vertonen. Hun sociale overleven hebben ze in feite aan die jongen te danken.”

“Terwijl zo iemand in zijn eigen omgeving zeer gewaardeerd wordt, verwacht de Nederlandse rechter dat hij spijt betoont, want zo zijn de verwachtingen in het Nederlandse cultuurpatroon.” In Turkije zou de dader in zo'n geval zeker op (wettelijk vastgelegde) strafvermindering kunnen rekenen - soms wel voor de helft.

Dat Turkse verdachten ook in Nederland dergelijke clementie verwachten, maakte Yesilgöz op uit het soort uitvluchten die zij zochten. Regelmatig werd geprobeerd gevallen van eenvoudige geweldpleging met een kwestie van eer te verbinden. Lukte dat niet dan werd geprobeerd zichzelf als een “zielig persoon” te etaleren, of als slachtoffer van discriminatie.

Diefstal, en sommige vormen van geweldpleging, worden als bijzonder oneervol beschouwd - de Turkse wetgeving noemt ze 'gezichtsverliezende' delicten. Turkse verdachten gedragen zich in zulke gevallen heel anders. Bij eerkwesties geven de daders zichzelf vaak aan en bekennen zonder meer. Diefstal wordt zo lang mogelijk ontkend. Volgens Yesilgöz is dat niet alleen om straf te ontlopen, maar vooral om gezichtsverlies te voorkomen.

Yesilgöz (1951) was eind jaren zeventig advocaat voor strafzaken in Ankara. Na de staatgreep van 1980 vluchtte hij naar Iraans en Iraaks Koerdistan, en ontkwam in 1984 naar Nederland. In zijn proefschrift doet hij geen aanbevelingen, omdat dat niet strookt met de aard van zo'n onderneming. Desgevraagd wil hij wel zeggen dat hij zeker niet van mening is dat de Nederlandse rechter rekening zou moeten houden met de Turkse culturele logica. “Dat zou namelijk betekenen dat je meer potentiële slachtoffers van dit soort delicten accepteert. Die slachtoffers zijn vaak vrouwen. De rechten van verdachten zijn me heel wat waard, maar die van vrouwen in het algemeen zijn voor mij belangrijker.”