Rusland; Het dorp als maat der dingen

MARIUS J. BROEKMEYER: Het verdriet van Rusland. Dagelijks leven op het platteland sinds 1945

319 blz., Jan Mets 1995, ƒ59,50

In de lente van 1992 waren we op bezoek bij Volodimir Plesjko in het Oekraïense dorpje Petrikovka. Hij had zich in de lokale club aangediend als 'fermer' en kozak, met andere woorden, als een vertegenwoordiger van de nieuwe en vooral vrije boerenstand, die de ouderwetse kolchozeboer wel eens een lesje in produktiviteit en kwaliteit zou gaan leren. Hij wees ons zijn hectares. Behalve gras was er nog niets te zien. Maar als we een jaar later zouden terugkomen, dan zouden we onder een boom voor z'n boederij zijn eigen varkens aan het spit jagen, roosteren en vervolgens opeten en wegspoelen met wijn uit zijn eigen wijngaard dan wel zelfgestookte samogon. Het is er niet van gekomen.

Ruim een jaar later verbleven we in Ojok, nabij de oude Siberische stad Irkoetsk. In Ojok had ooit de dekabrist Sergej Troebetskoj zijn ballingschap moeten doorbrengen. Sinds de Grote Vaderlandse Oorlog werd het dorp echter beheerst door de Kirov-kolchoze, of beter: door voorzitter Ivan Basjirin die daar al sinds 1951 de scepter zwaaide en dus alle politieke winden en stormen had overleefd. In april 1993 was hij in zijn huis vermoord, vermoedelijk door racketeers die het op zijn geld gemunt hadden. Maar al voor deze gebeurtenis was de collectieve boerderij in Ojok in interne chaos en machtsstrijd weggezakt, zodat de moord wellicht ook een complot zou kunnen zijn van de door Basjirin kort gehouden 'runners-up' op de kolchoze.

Petrikovka en Ojok waren voor mij indertijd twee voorbeelden van de strijd van nieuwe illusies versus oude praktijken in het Rusland van na de perestrojka. Samen met al die andere exemplarische gebeurtenissen, die ik aanschouwde toen ik in Rusland woonde, werkte en uiteindelijk met een pas sinds anderhalve generatie volledig geürbaniseerd gezin meebeleefde, schiepen ze een beeld. Maar ook niet veel meer dan dat.

Nu, een kleine drie jaar later, is het mogelijk die beelden te verbinden. Dank zij het boek van Marius Broekmeyer, een van de meest gedreven Rusland-volgers in Nederland. Zijn recent verschenen Het verdriet van Rusland. Dagelijks leven op het platteland sinds 1945 biedt inzicht in de wanhopigste modernisatie uit deze eeuw in het grootste land van deze wereld. Zijn boek lijkt een narratieve kroniek. Het pretendeert niet veel meer te zijn dan een vertelling over het leven in het dorp. Maar het leest als een van de effectiefste antwoorden op al die revolutionaire concepties die Rusland deze eeuw de das hebben omgedaan. Of die nu uitgingen van het oude trotskistische idee over de noodzaak van centralistische industrialisatie (in verschillende modaliteiten uitgevoerd door Stalin, Chroesjtsjov en Brezjnev), dan wel van het hedendaagse religieuze marktfetisjisme dat gelooft in de shock-therapie als politieke loutering (van de Harvard-boys rond Jeffrey Sachs tot ex-premier Jegor Gajdar), ze hebben geen van alle gebracht wat Rusland dacht. Broekmeyer biedt de munitie om dat te doorgronden. In de verhalen verschuilt zich namelijk het theoretische fundament dat vele nieuwerwetse ideologen zo node missen.

Spiegel

Die basis is onlosmakelijk verbonden met het platteland. Want hoewel Rusland sinds Leonid Brezjnev inmiddels een geürbaniseerde staat is - in 1940 woonde tweederde van de bevolking op het land, in 1988 nog slechts eenderde en was nog geen kwart van de bevolking werkzaam in de agrarische sector dat op zijn beurt niet meer dan een achtste van het nationaal produkt voor zijn rekening nam - is het dorp de maat der dingen gebleven. De verhoudingen daar, vooral die tussen man en vrouw, zijn steeds de spiegel geweest van de Russische maatschappij. Wie zich anno 1995 geen rekenschap wenst te geven van de gemoedstoestand in de izba (boerenhut), negeert derhalve het algemeen menselijk patroon van de Russische samenleving. Of, zoals Nikolaj Nekrasov bijna anderhalve eeuw geleden al dichtte:

In de hoofdsteden geselen felle oratoren

slavernij, de leugen en het kwaad.

Doch in de verre streken van het land

hangt als tevoren, niet te vatten

stilte boven de eindeloze vlakten.

Dat verklaart meer dan alle IMF-rapporten bij elkaar. Anders dan de opstellers van die rapporten heeft Broekmeyer, die niet toevallig met Nekrasov eindigt, geen politieke belangen (hooguit romantische emoties) en wèl geduld. Jarenlang heeft hij een schier onafgebroken rij kranten, tijdschriften en romans gelezen over het platteland. Hij nam ze voor 'face value' of las tussen de regels door. En ondertussen verbleef hij op gezette tijden daar waar je moet zijn om het hart van Rusland te zien en te ruiken. Want daar is jarenlang de guerrilla van de stad tegen het land gevoerd. Daar probeerde het centrum zijn oekaze-cultuur te effectueren. Daar moest het matriarchaat zich staande zien te houden tegen de meest uiteenlopende vormen van mannelijk gedrag.

Zeker, na de Tweede Wereldoorlog was er kortstondig sprake van enig optimisme in de izba. Weliswaar was een derde van de boerderijen vernietigd en waren de velden volgepropt met landmijnen, er zou nu toch iets gaan verbeteren op het platteland dat begin jaren dertig via de collectivisatie ook al in zijn ziel was geraakt. Maar het gebeurde niet. Integendeel. Dat lag aan de ongewijzigde politieke constellatie, maar ook aan de omstandigheden. Het eerste laat zich raden. Het tweede is hier dus interessanter: het quotiënt man/vrouw. Dat was in 1945 fundamenteel uit balans en daarmee de huwelijksmarkt, hetgeen nog eens werd versterkt door het feit dat de boerinnen traditioneel geen recht hadden op een binnenlands paspoort en dus als moderne horigen aan het land gebonden bleven. De terugkerende mannen - en dat waren er weinig, van de lichting 1922 overleefde slechts drie procent de fronten - konden zich dan ook alles permitteren. De vrouwen moesten op hun beurt wachten, ondertussen het land bewerkend, de koeien melkend en de izba op orde houdend.

De oorlog is voorbij

eenzaamheid die wacht op mij

boerenvent en boerenvrouw ben ik hier

koe ben ik en ook nog stier

zo formuleerde een puntdicht het na de oorlog treffend.

Haring

Het rijmpje had profetische waarde. Want toen het evenwicht tussen de seksen zich in kwantitatieve zin enigszins had hersteld, bleken de kwalitatieve verschillen nog altijd onoverbrugbaar. Man en politiek gingen meer dan ooit samenvallen. Als een wervelwind bleef de partij, eerst onder leiding van Nikita Chroesjtsjov en later onder de clan van Brezjnev, over het boerenland razen. Elk nieuw plan werd in een campagne gegoten (variërend van het fokken van konijnen tot het dramatische idee om rond de poolcirkel maïs te gaan verbouwen) en aldus voorzien van het keurmerk der CPSU. Modernisatie en concentratie waren daarbij het parool, liquidatie en corruptie de praktijk en mannen de executeurs.

Natuurlijk wisten veel boeren dat het allemaal onzin was. Zo pakte een kolchozevoorzitter eens, terwijl hij een borrel dronk, een haring bij zijn staart en zei: “Wel, als ik gedwongen word, dan ga ik ook haring zaaien”. Maar onzin kon ook voordelig zijn. Als je een positie had, kon je via diefstal, smeergelden en subtiele obstructie, vooral via de boekhouding, een levensader in stand houden die het leven net dragelijk maakte.

Voor de vrouwen was dat na de oorlog echter nimmer weggelegd. Het waren de mannen die de administratieve baantjes wisten op te eisen. Zij kregen, na de resolute afschaffing van het paard als parasitair en 'werkeloos hinnikend' wezen in 1956, de trekkers en andere voertuigen tot hun beschikking waarmee ze hun eigen cliëntelisme konden bedrijven. Zij waren de brigadiers die de collectieve arbeid verdeelden en aldus konden beslissen over voorspoed of armoede in het dorp. Zij waren, onderaan de sociale piramide, de van de grond losgeslagen dagloners die er alleen maar op uit waren zo simpel mogelijk zo veel mogelijk roebels bij elkaar te scharrelen.

Een half litertje was daarbij het reguliere betaalmiddel, waarmee terloops tevens het alcoholisme op het platteland is verklaard. In het gunstigste geval moesten ze zich op gezette tijden als de dorpsgek voordoen. “Natuurlijk gedraag ik me als een stomme boer, die serviel... dan suggereer ik hem een ideetje, een actie hier of daar, een slim plannetje. Ze zijn er gek op om originele geesten te ontdekken... primitief natuurlijk, en zo oud als de wereld.” In minder gunstige gevallen nestelden ze zich in het hart van de patronage.

Paradoxaal genoeg leidde deze mannelijke dominantie wederom tot verstoring van het evenwicht. De jonge meisjes wisten niet hoe snel ze, via een huwelijk of illegaal, weg moesten zien te komen: naar de stad, waar je kon studeren en werken. De oudere vrouwen bleven de sloven die op het persoonlijke erfje (voor een kolchozeboer maximaal een halve hectare, voor een stadse burger niet meer dan 600 vierkante meter) en op het collectieve land voor de oogst en vooral de melk moesten zorgen.

Dat in 1950 het private landje goed was voor 51 procent van de agrarische produktie en 61 procent van de veeteelt (verhoudingen die zich in de decennia daarna niet wezenlijk zouden wijzigen) betekende niet dat daarmee ook de relaties tussen man en vrouw zich moesten aanpassen. Integendeel. Doordat de mannen op de collectieve boerderijen letterlijk op de bok bleven zitten, konden zij ook het meest grootschalig de spullen blijven stelen die nodig waren voor de bewerking van het eigen lapje grond en dus voor de voedselvoorziening. Zelfs in het merendeel der stedelijke gezinnen kopieerde dit rurale gezinspatroon zich. De vrouwen moesten ook daar buffelen in een dubbele functie (baan èn huishouden). De mannen zeiden na het eten 'bedankt' (een geseculariseerde versie van het oude dankwoord jegens God) en gingen op de divan naar de televisie liggen kijken.

Stoomwals

Dank zij deze dubbele greep kon de stad het platteland blijven intimideren. Zeker toen eind jaren vijftig in Moskou het beleid werd uitgestippeld om de 'niet-perspectief' biedende dorpen te liquideren, een beleid dat uiteindelijk na 1974 als een ware stoomwals over het land denderde en de boeren dwong in flatgebouwen van een poselok gorodskogo tipa (nederzetting van het stedelijke type) vierhoog te gaan wonen. Begrepen werd het niet, toen een rajon-comité tot een dorpsvergadering riep: “Uw dorp wordt niet-spirtactief (spirt is het alomvattende woord voor alcohol) verklaard.” De dorpelingen antwoordden nog wel: “De Duitsers hebben we overleefd, nu gaan de eigen mensen ons te gronde richten”, maar het gebeurde uiteindelijk wel. Amper twintig procent van de dorpjes en nederzettingen wist de periode-Chroesjtsjov/Brezjnev te overleven. De planning ging boven alles, de 'planning vanaf het bereikte, vanaf het plafond'. De sterke boerenbedrijven (en die waren er wel degelijk, voormalig putschist Vasili Starodoebstev uit Toela en de driedaagse junta van 1991 is nog altijd hun peetvader) moesten overblijven. De zwakke dienden gesaneerd te worden. Eigenlijk zoals het in aan de beurs genoteerde ondernemingen in het Westen ook gaat, maar dan gewelddadiger, corrupter en dus leugenachtiger.

Deze stedelijke hoogmoed beroofde het dorp niet alleen van zijn mensen en klassieke gezinsverband, maar ook van zijn geestelijke infrastructuur. Onder leiding van Chroesjtsjov werd bijvoorbeeld meer dan vijftig procent van de kerken, die het in de jaren twintig en dertig toch al hard te verduren hadden gehad, omgebouwd tot stal, reparatieplaats, magazijn, dancing en urinoir dan wel geheel afgebroken om plaats te maken voor een nieuwe culturele club voor vergaderingen en films. En hoewel Broekmeyer helaas weinig zegt over de rol van het geloof in het oude en nieuwe Rusland - de orthodoxe kerk louter als geestelijke gemeenschap beoordelen, is mij te mager, gelet op de puur politieke rol die de clerus er al eeuwen speelt - is het onloochenbaar dat deze vernietiging een cultureel vacuüm schiep dat door niets en niemand kon worden opgevuld. Zeker niet door de mannen. In de woorden van een oude boerin tegenover haar voorzitter: “Vroeger luisterde de pope naar je, sprak een aardig woord, dan kon je er weer tegen, kreeg je kracht. Maar jij, vadertje van ons, waait stof op in het dorp met je autootje, de mensen kunnen je nauwelijks zien.”

Pas in november 1983, een jaar na de dood van Brezjnev, werd dit benevelde beleid wat ontnuchterd. Anders zou er alras geen brood meer op de plank zijn gekomen. Maar om nou te zeggen dat daarmee aan de gestage ontreddering ook een einde kwam, nou nee. Met de opkomst van Michail Gorbatsjov na 1985, en vooral zijn politieke einde in 1991, kregen de boeren opnieuw een ideologische discussie op hun bord. Nadat aanvankelijk met zeer bescheiden succes was geëxperimenteerd met decentralisatie van het beheer van de kolchozen en individuele pacht-systemen moest het eind jaren tachtig weer over de conceptionele boeg: de toekomst lag nu ineens in handen van de fermer. De boeren die nog in kolchozen of sovchozen werkten, werden door Moskou en zijn politieke subcentra uitgespuugd als slaven en proleten. Toen Gorbatsjov aan zijn laatste maand in het Kremlin begon, besloot de Russische regering iets verderop in Moskou daarom alle collectieve boederijen om zeep te helpen en te vervangen door naamloze vennootschappen en fermers.

De oekaze waarmee dat gebeurde, haalde niets uit, zoals alle decreten van president Jeltsin toen een andere vorm van papier-recycling waren. Zeker op het platteland, waar men inmiddels generaties lang ervaring had in 'ja' zeggen en 'nee' doen. Maar het kwaad was ten dele wel al geschied. Het signaal voor de privatisering werd door de oude nomenklatoera goed begrepen. De kommersanti begonnen onverwijld een algehele uitverkoop te houden, van machines tot schoolbussen en voedsel. Want naarmate de voedselvoorziening terugliep en de inflatie omhoog vloog, werd het steeds interessanter een koe te verpatsen dan ermee te fokken. “Wie één varken op de markt verkocht, verdiende daarmee meer dan een jaarsalaris in een bedrijf”, aldus Broekmeyer. “En ondertussen daalde in 1992 de suikerproduktie tot het peil van 1953, die van vis tot dat van 1955, met melk was men terug op het niveau van 1957 en met vlees ging men terug tot 1965.”

Langere lijnen

Waartoe deze zoveelste breuk met het verleden leidt, durft ook Broekmeyer niet te voorspellen. Dat heeft wellicht ook te maken met het tweede puntje van kritiek dat op zijn boek mogelijk is. Broekmeyer verwijst nergens naar de 'toestand' in de izba vóór de bolsjewistische revolutie. De lezer krijgt geen kwalitatieve vergelijking tussen de tsaristische en bolsjewistische lijfeigenschap voorgeschoteld, hoewel het volgens mij wel degelijk mogelijk is een paar langere lijnen te trekken, lijnen die het twintigste-eeuwse collectivisme heel voorzichtig verbinden met de negentiende-eeuwse horigheid.

Maar één ding is zeker: het platteland maakt zich op voorhand niet druk over de uitkomst van de parlementsverkiezingen van volgende week zondag. Want wat deed de gewone boerenbevolking tot nu toe? De bevolking “die geen zin had in een ongewis avontuur, die niet door de buren met de nek wilde worden aangekeken, die geen trek had in hard werken en slapeloze nachten vanwege de zorgen? De bevolking reageerde naar mijn mening heel juist, en in overeenstemming met de stemming van het dorp (...) Leven en laten leven.”