Op zoek naar de macht

PRIVATISERING, decentralisatie en verzelfstandiging - het zijn al enige jaren kernbegrippen in Den Haag.

Geen beleidskoker blijft er van gevrijwaard. En hoewel het om totaal verschillende zaken gaat hebben al deze termen één ding gemeen: het zicht van politici wordt minder. Veelal is dit een bewuste keuze geweest. De verantwoordelijkheidsverdeling hield allang geen gelijke tred meer met de op velerlei terrein uitdijende overheidszorg. Daardoor bestond het primaat van de politiek in veel gevallen louter nog op papier. De diverse parlementaire enquêtes hebben de afgelopen jaren hiervan elk even illustratieve als onthutsende voorbeelden te zien gegeven. Bestuurlijk is er veel veranderd en verandert er nog steeds veel. In feite is er sprake van een continu proces van privatisering, decentralisatie en verzelfstandiging. Hier en daar komt inmiddels alweer de tegenbeweging op gang. Dat het de verkeerde kant kan uitschieten, heeft bijvoorbeeld de Algemene Rekenkamer eerder dit jaar haarfijn aangetoond in een rapport over zelfstandige bestuursorganen en de ministeriële verantwoordelijkheid. De Rekenkamer kwam tot de conclusie dat ministers in veel gevallen over onvoldoende bevoegdheden beschikten om hun algemene verantwoordelijkheid te kunnen dragen op het terrein waar het zelfstandige bestuursorgaan actief was. Inrichting en vormgeving van de talloze bestuursorganen bleken bovendien dermate verschillend geregeld dat volgens de Rekenkamer gesproken kon worden van een 'wildgroei'.

DE TWEEDE KAMER kon niet anders dan “geschokt” reageren op het rapport. Vanuit het kabinet is inmiddels de toezegging gekomen dat het toezicht zal worden versterkt. Hiervoor zal een speciale kaderwet worden opgesteld waarin in ieder geval de ministeriële verantwoordelijkheid zeer nauw zal zijn omschreven. Waarmee de cirkel rond is: de verantwoordelijkheid die een fictie bleek werd eerst gedeeltelijk uit handen gegeven. Daardoor ontstond echter een groot schemergebied. Met als gevolg dat de verantwoordelijkheid, zij het nu op hoofdlijnen, weer terugkomt. Een soortgelijk verhaal gaat op voor het verschijnsel decentralisatie. In het kader van de subsidiariteitsgedachte zijn de afgelopen jaren talloze zaken overgeheveld naar lagere overheden. Ook hier doen zich in nu toenemende mate knelpunten voor. Het afstaan van zeggenschap blijkt in de praktijk toch op veel bezwaren te stuiten bij Haagse bestuurders. De lumpsum-filosofie brengt hoe dan ook beperkingen met zich mee. Iets dat sterker gevoeld wordt naarmate de beslissers op decentraal niveau plannen van nationale politici dwarsbomen. Het debat over de wenselijke politiesterkte kan in de Tweede Kamer op een hoogdravende toon worden gevoerd, maar de uitwerking op decentraal niveau waar de korpsbeheerders met zicht op de dienstroosters het voor het zeggen hebben, blijkt toch telkenmale anders. Dat kan tot verontwaardiging in Den Haag leiden, maar toch is het niet meer dan een logische consequentie van eerder genomen besluiten.

PRIVATISERING, de derde loot aan de boom, is nog de meest overzichtelijke vorm van bestuurlijk afstand doen. Door het op de markt brengen van een dienst, geeft de overheid doelbewust zeggenschap uit handen. Dat privatisering toch een diffuus begrip is, blijkt uit de discussie over de Nederlandse Spoorwegen. Getuige de 'we- gaan-ervoor'-campagne van de Spoorwegen is een marktconforme privé onderneming aanstaande. In de officiële stukken die de minister van verkeer en waterstaat en de Tweede Kamer met elkaar wisselen is daarentegen sprake van een verzelfstandiging van de Spoorwegen. Het is deze spraakverwarring die de toon in de politieke discussie in hoge mate bepaalt. Verzelfstandigde spoorwegen staan in een andere relatie met de politiek dan geprivatiseerde spoorwegen. Dat bepaalt ook de plaats van de volksvertegenwoordiging. Het debat tussen minister Jorritsma (verkeer en waterstaat) en Tweede Kamer spitst zich nu toe op de toekomst van de onrendabele spoorlijnen. Eronder ligt een veel fundamentelere vraag: hoeveel zeggenschap wenst men eigenlijk af te staan? Zolang alle betrokken partijen daar toch anders over denken, zal besluitvorming altijd wazig blijven. Met een kritisch rapport van de Algemene Rekenkamer als zekere uitkomst.