Nasr Hamid Abu Zeid, hoogleraar arabistiek in Kairo kreeg academisch onderdak in Leiden; Laat de moslims toch in vrijheid kiezen en de prijs betalen

De arabist Nasr Hamid Abu Zeid werd door het hof van beroep in Kairo tot afvallige bestempeld. Daarmee werd verder werken als hoogleraar vrijwel meteen onmogelijk. Hij zou zelfs van zijn vrouw moeten scheiden. Interview met een verlicht moslim over de koran. “Wat nodig is, is een frisse eigen uitleg, refererend aan ontwikkelingen die de menselijke geest heeft doorgemaakt”.

In maart verschijnt bij uitgeverij Bulaaq de bundel 'Vernieuwing in het islamitisch denken' van Nasr Hamid Abu Zeid, uit het Arabisch vertaald door Fred en Rob Leemhuis.

“Eén keer heb ik getwijfeld”, zegt Nasr Hamid Abu Zeid, hoogleraar arabistiek te Kairo en Leiden. “Dat was kort nadat het hof van beroep in juni had bepaald dat ik van mijn vrouw moest scheiden: als afvallige mocht ik niet met een moslim samenleven. Mijn advocaten gingen in hoger beroep en vroegen me om een academisch commentaar op het vonnis. Moest ik die onzin nog lezen ook. Ik had gezegd dat de koran vol metaforen zit, maar volgens rechter Farouq Abdul-Ali, zelf een fundamentalist, heeft God wel degelijk een troon en is alles wat in de koran staat waar. Op een gegeven moment kon ik er niet meer tegen. Ik stormde mijn studeerkamer uit en smeet het pak papier naar mijn vrouw. 'Wat een prutsers, wat een intellectuele armoede, een eerstejaars moest het lef hebben met zoiets voor de dag te komen.' Woedend was ik. En mijn lieve vrouw, ze schaterde.”

In mei 1993 spanden zeven Egyptische advocaten een opmerkelijk proces aan tegen Abu Zeid. Het wetenschappelijk werk van de geleerde zou neerkomen op geloofsafval. Fundamentalisten beschuldigen Zeid ervan door toepassing van communicatietheorie en semiotiek (leer van de tekens) de goddelijkheid van de koran te loochenen en de soenna, het profetisch voorbeeld, te negeren. In eerste instantie verklaarde een lagere rechtbank de aanklacht niet ontvankelijk. De indieners, vertegenwoordigers van een groep die anti-islamitische activiteit opspoort en aan de kaak stelt, zouden geen belanghebbende partij zijn. Maar het hof van beroep accepteerde hun juridische status wel en verklaarde de huwelijksvoorschriften van de shari'a, de islamitische wet, van toepassing. Daarmee was het lot van Zeid bezegeld. Het vonnis van juni noemt drie zaken die Zeids geloofsafval zouden aantonen. Allereerst zijn pleidooi voor gelijk erfrecht voor man en vrouw, waar de koran zegt dat de man qua erfdeel het dubbele krijgt. Verder Zeids verzet tegen de extra belasting die Kopten en andere niet-moslims moeten betalen. En ten slotte zijn bewering dat de koran niet letterlijk moet worden genomen maar vol metaforen staat.

Dat in de praktijk zo'n verkapt doodvonnis door een hof van beroep wordt uitgesproken, is in het moderne Egypte zonder precedent. Wel is in 1992 een Egyptische intellectueel vermoord nadat radicale en geestelijke leiders hem als 'afvallige' hadden gebrandmerkt. Het betrof de liberale schrijver-criticus Farag Foda die de fundamentalisten met overgave bestreed en ze de 'krachten van het duister' had genoemd. Op het proces tegen de daders sprak de 'gematigde' sjeik al-Ghazali, een gerespecteerd religieus leider met groot gezag, als getuige à décharge toen een fatwa uit: 'Iedereen die toont een afvallige te zijn, moet worden gedood door de staat, of, als die in gebreke blijft, door iedere vrome moslim.' Een verzoek van Zeid aan de minister van informatie om een half uur op de televisie zijn ideeen te mogen toelichten, desnoods in een debat, werd niet beantwoord. De regering, onaangenaam verrast door de uitspraak, stelt zich terughoudend op en zit met de zaak in haar maag.

Kon u als academicus nog functioneren?

“Voor de helft. Veertig dagen hebben mijn vrouw - zij is hoogleraar Frans - en ik thuis opgesloten gezeten, bewaakt door agenten in burger. Het was tentamentijd, correctiewerk genoeg. Maar doceren ging niet meer. Al die veiligheidsmaatregelen, zelfs hadden ze aan de ingang van de faculteit elektronische poorten neergezet. Eenmaal ben ik nog naar de faculteit geweest. Dat was bij de promotie van een van mijn studenten. Een verzoek of ik niet een ander de honneurs wilde laten waarnemen, heb ik geweigerd: nooit mogen de fundamentalisten denken dat hun dreigementen mij weerhouden. Een kogelvrije politiebus bracht me naar het universiteitsterrein en ik werd opgewacht door veertig veiligheidsfunctionarissen. Toen besefte ik: ik moest maar eens op sabbatical leave.”

Na tussenkomst van Fred Leemhuis, toen nog directeur van het Nederlands Instituut in Kairo, en de Leidse hoogleraar Wim Stokhof koos Abu Zeid voor academisch onderdak in het 'veilige' Nederland. “In plaats van met vakantie naar het Egyptische strand te gaan, en daar door agenten te worden omringd, werd het de kust van Spanje, ook al omdat mijn vrouw de maanden september en oktober daar een aanstelling had. Ik zat die periode in de nationale bibliotheek in Madrid. In Leiden kan ik prima werken. Al mijn boeken zijn aanwezig in de bibliotheek. Inmiddels is mijn vrouw heen en weer geweest naar Kairo, terwijl ik in Berlijn een wetenschappelijk congres heb bezocht over islam en moderniteit.”

U ligt onder vuur vanwege uw interpretatie van de koran. Wat is er mis met de gangbare uitleg?

“God openbaarde zich aan de Profeet. Zijn boodschap is neergelegd in de koran, in het Arabisch, en wordt door de islamisten - die de islam tot politieke ideologie versmallen - verondersteld eeuwig, onveranderlijk en ongeschapen te zijn. Maar een tekst spreekt niet uit zichzelf, dat doet hij door de lezer. Die decodeert de koran en zet hem terug in het culturele en taalkundige milieu dat het zijne is. Zo ging het in de dagen van de eerste kaliefs, en zo gaat het nog. Alleen, ons begrip van de koran is blijven steken op het niveau van de twaalfde eeuw. Sindsdien herkauwen we dezelfde interpretatie. Wat nodig is, is een frisse eigen uitleg, refererend aan ontwikkelingen die de menselijke geest heeft doorgemaakt, aan kennis en methodes die de sociale wetenschappen, linguïstiek, semiotiek en stilistiek hebben opgeleverd.”

Wat betekent die aanpak voor de positie van de vrouw? Volgens het vonnis keert u zich met uw visie op het erfrecht tegen de koran.

“Ook hier: de context voert naar de betekenis. Tot op de dag van vandaag gebruikt het Arabisch bij een gezelschap van honderd vrouwen en één man het mannelijke voornaamwoord. De koran is de eerste Arabische tekst die zich tot man èn vrouw richt. Ook maakt hij geen verschil in religieuze plichten en stelt beide seksen bloot aan dezelfde sancties. Toegepast op het erfrecht: het feit dat de vrouw de helft minder krijgt dan de man is in het licht van de pre-islamitische verhoudingen een stap voorwaarts: toen ontving ze niets. “Overgeplaatst naar onze tijd: als we man en vrouw gelijkstellen plegen we geen inbreuk op de koran, maar verstaan we hem in de context van toen. Ook Oemar Ibn al-Chataab, de tweede kalief en stichter van het Arabische rijk, had bij zijn politieke beslissingen de moed de koran naar de geest te interpreteren. Vandaag zou hij als afvallige voor de rechter worden gesleept, en dat terwijl hij zeer vereerd wordt. Islamisten zijn zich van dit probleem bewust en houden er hun mond over.

“Er is nog heel veel islamstudie nodig. Zo bestaat er verschil in semantiek en stijl tussen de taal van de koran en de taal van Mohammed in de koran. De verzen uit Mekka hebben een geweldige poëtische kracht. Om die op waarde te schatten moet je jezelf voorstellen als een zesde-eeuwse Arabier, in een klein dorpje in de woestijn. Hoe moeilijk moet het geweest zijn zo iemand van wereldbeeld te doen veranderen. Mohammed was behalve een mens en een profeet ook politiek leider en de stichter van een staat. Om stammen voor de islam te winnen ging hij in zijn concessies soms te ver.”

Zoals in zijn beoordeling van de Duivelsverzen?

“Bijvoorbeeld. Volgens een traditie kreeg Mohammed op een gegeven moment een openbaring waarin een drietal godinnen van het oude heidense Arabië min of meer erkend werd. Dat bleek achteraf een influistering van de duivel, en die bewuste verzen hebben de koran dan ook niet gehaald. De koran doet daar niet geheimzinnig over: op meerdere plaatsen wordt het handelen van Mohammed gecorrigeerd.

“De beschuldiging als zou ik een tweede Rushdie zijn, wijs ik met klem af. Bij De Duivelsverzen gaat het om fictie - en als je het mij vraagt literair weinig hoogstaande fictie - en dus is het verkeerd daar moslimfilosofieën aan te ontlenen. Al was ik door Rushdie's boek niet beledigd, anderen waren dat wel en het is niet mijn stijl om kwetsend voor de dag te komen.”

Egyptische intellectuelen verwijten u gebrek aan tact, u zou te zeer provoceren.

“Ik ben wetenschapper, geen politicus. Ik moet me helder uitdrukken of mijn mond houden. Het gaat mij om de waarheid, niet om voegzame verklaringen. Waar anderen zich uit angst stil houden, geef ik niet toe. Volgens mijn advocaten had ik het proces simpel kunnen winnen door en publique een geloofsbelijdenis af te leggen. Na de uitspraak van het hof wilde een journalist met me naar de moskee, om voor het oog van de camera te knielen voor God. Zeker, ik ben een gelovig moslim, ik houd van de rituelen, van de ramadan. Maar waarom zou ik dat moeten bewijzen? Ik heb het niet op opportunisme. De Egyptische intellectueel munt niet uit in moed. Het spijt me, maar ik ben trots op mijn wetenschappelijke werk. Er is geen komma waarvoor ik me schaam.”

Nasr Hamid Abu Zeid (1943) groeide op in een dorpje bij Tanta, centraal in de Nijldelta. Van zijn vader, een kleine boer die later een kruidenierswinkeltje begon, herinnert hij zich de parabels uit het leven van de Profeet en op zijn tiende kende Abu Zeid de koran uit zijn hoofd. “Ik hield zielsveel van mijn vader. Toen ik veertien was overleed hij. Dat was een zware slag. Als oudste zoon droeg ik de verantwoordelijkheid voor drie broers en drie zussen. Mijn vader was een ziek man. Daarom stuurde hij me niet naar al-Ahzar, het islamitische opleidingsinstituut, maar vond dat ik een beroep moest leren. Twaalf jaar heb ik als elektrotechnicus het gezin onderhouden, pas toen kon ik naar de universiteit.

“Na de dood van mijn vader nam ik automatisch zijn plaats in. Altijd had mijn moeder zich passief opgesteld, zo hoorde dat, en als ze naar mijn grootvader wilde, moest ik mee haar de weg wijzen. Maar nu onderging ze een metamorfose. Toen ik haar neerbuigend tegemoet trad, zocht ze mijn kleren bij elkaar en zette me op straat. Daar stond ik dan. Na lang soebatten van de familie-oudsten kon ik terug, mits ik haar voeten zou kussen. Een diepe vernedering, maar wat moest ik? En toen: de familie was nog niet weg of mijn moeder vluchtte naar haar kamer en barstte in snikken uit. Ze had me alleen een les willen leren. Hoe anders kon ze zeker zijn dat als zij oud was, en ik volwassen, ik haar goed zou behandelen?

“Het leven heeft me zacht gemaakt. Ik kom uit een traditioneel gezin, maar ik heb mijn zusters niet uitgehuwelijkt. De jongste begon een verhouding met een student van me. Een collega maakte me erop attent. Toen ik m'n schouders ophaalde reageerde hij geschokt. Maar waarom zou ik haar de wet voorschrijven? Met welk recht? Moet ze het eerste het beste vriendje direct trouwen? Beter leek het me dat ze ervaring opdeed. Later zocht die jongen me op en wist met zijn figuur geen raad. Ik hou van uw zuster, zei hij. O, zei ik, wat heb ik daar mee te maken? Kom terug als je haar wilt trouwen. Hij was perplex. Doorgaans reageren Egyptische mannen anders.”

U bent streng-religieus opgevoed. Waar stond u in de tijd van Nasser? Was u ook socialist?

“Ik ben een kind van de revolutie van '52, ik was toen negen. Maar het sociale paradijs, waarin ook ik geloofde, bleek een hel. Alles werd genationaliseerd, ook het Egyptische denken. Toen ik twintig was las ik 'De islamitische geloofsleer' van as-Sajjid Sabik, destijds verboden. Om mij heen zag ik de nasseristen de islam manipuleren, 'Het socialisme van de islam' heette een boek uit die tijd. De zesdaagse oorlog betekende voor de Egyptische samenleving een waterscheiding. Zo'n onthutsende nederlaag moest wel betekenen dat wij moslims schuld hadden, dat we zondaars waren, dat God ons had willen straffen. Het nasserisme had afgedaan.”

Is de islam niet vaker door de machthebbers gemanipuleerd?

“Ja, en ik zie het als mijn taak dat aan de kaak te stellen. Ik ben een leerling van Taha Hoesain, de blinde korangeleerde die vaak met de conservatieve geestelijkheid overhoop lag. Hij was mijn sprituele vader, al ga ik verder. Na mijn afstuderen in 1972, een jaar voor Hoesains dood, besloot de faculteit arabistiek in Kairo dat ik me met islamstudie zou bezighouden. Dat terrein lag sinds 1949 braak: niemand die er zijn vingers aan wilde branden. Uit mijn onderzoek naar klassieke islamdenkers bleek dat het ze nooit om de betekenis van de koran als zodanig ging, maar dat politiek-filosofische opvattingen hun interpretatie stuurden. Of het nu de negende-eeuwse Moe'tazilieten waren, volgens wie de mens eerst zijn verstand moet gebruiken en pas daarna geloven, of Ibn 'Arabi, die vijfhonderd jaar later een eenheidsmystiek predikte: altijd was er eerst het politieke doel en werd daarna de koran er op nageslagen. Die conclusie is me door de orthodoxie niet in dank afgenomen.”

Waar staan de islamisten nu?

“Op het moment zijn we in Egypte getuige van weer een nieuwe uitleg van de islam: de islam als de godsdienst die het privébezit eerbiedigt, die particuliere belangen beschermt, die vrede brengt. Maar wat is de islam nu eigenlijk? De islamisten vinden dat de heerschappij van God op alle levensterreinen moet doorwerken, individueel, sociaal of economisch. Het is het gedachtengoed van Sajjid Koetb, een radicale korancommentator en Moslim Broeder die in 1966 door het Nasser-regime is opgehangen. Daarnaast vinden de islamisten dat de koran aan duidelijkheid niets te wensen overlaat, dat contemplatie overbodig is. Ik bestrijd dat.

“Neem het secularisme, in het Arabische 'almaniyya. Scheiding tussen godsdienst en staat heeft niets met atheïsme te maken en toch heeft 'almaniyya de betekenis gekregen van 'ontkenning van God', van het verbannen van godsdienst naar het persoonlijke leven. Graag zou ik de discussie over deze onderwerpen aanwakkeren. In Egypte doet men net alsof er over het idee van de islam consensus bestaat, maar dat is een illusie. Naast de Egyptische is er de Saoedi-islam, of die van India of Zuid-Amerika.

“Op school wordt de jeugd misleid. Oude boeken zijn sinds 1980 vervangen door exemplaren waarin de meisjes een hoofddoek dragen en weer Fatma heten. Uit een enquête bleek dat de jongeren van de zesdaagse oorlog niets weten. Dat belooft weinig goeds.”

Wat is in de praktijk het verschil tussen een gematigd islamist en een extremist?

“Ik ben tot de conclusie gekomen dat er geen principieel onderscheid bestaat. Het gedachtengoed is hetzelfde, sterker, de gematigde islamisten leveren de ideologische onderbouwing van het religieuze terrorisme. Moslim-extremisten neem je de wind niet uit de zeilen door hun ideeën in gematigde vorm over te nemen. Die taktiek is tot mislukken gedoemd. Het geeft de fundamentalisten een schijn van respectabiliteit.

“Ik ben voorstander van democratie. Daarbij hoort de mogelijkheid dat de islamisten op wettige wijze aan de macht komen. Dat moet dan maar, ook al sta ik bovenaan hun dodenlijst. Wie om de toekomst van zijn land geeft moet zich om zijn leven geen zorgen maken. Altijd hebben wij intellectuelen en politici de bevolking gemanipuleerd, wij wisten wat goed voor haar was. Kijk naar Algerije, is het bloedvergieten daar gestopt? De islamitische oplossing is als een verboden vrucht. Laat de moslims toch in vrijheid hun leiders kiezen, laat ze proeven van die ervaring, laat ze lijden en de prijs betalen.”

U staat in Egypte niet alleen in uw opvattingen. Waarom hebben de islamisten het toch zo op u gemunt?

“De aantijgingen begonnen mei 1992, toen ik hoogleraar zou worden. Niet ik heb mijn ideeën naar het publiek gebracht, dat deden de oelama, de geestelijkheid, en wel vrijdags in de moskee. Eén zo'n prediker is Abd as-Saboer Sjahien, een opportunistische hoogleraar aan de Universiteit van Kairo. Als extern adviseur moest hij de benoemingscommissie over mijn wetenschappelijke kwaliteiten informeren. In plaats van met een objectieve beoordeling te komen, concentreerde hij zich op dogmatische aspecten. Zijn rapport bevatte zinsneden als 'zijn geloof schiet tekort' of 'wat Abu Zeid beweert vertoont sterke gelijkenis met afvalligheid of ketterij'. Doorgestreept, maar nog wel leesbaar, zijn 'dit is pure blasfemie' en 'een af te wijzen mening van een ongelovige'.

“Sjahien geldt als gematigd. Hij is religieus adviseur van de regeringspartij. Tegelijk onderhoudt hij nauwe banden met islamitische investeringsmaatschappijen en hij vindt dat de staat het goddeloze, moderne bankwezen moet tegenwerken. Een aantal van die maatschappijen ging eind jaren tachtig failliet - een ramp voor de kleine spaarder. In mijn laatste boek heb ik over dit schandaal geschreven, om aan te geven hoe nodig het is de positie van de islamisten in de Egyptische samenleving te onderzoeken.

“Hoewel beide andere geraadpleegde experts zich lovend over mijn werk uitlieten, stemde de benoemingscommissie 7:6 in mijn nadeel. Bovendien werd alleen het negatieve rapport van Sjahien doorgezonden. Maart 1993 besloot de senaat van de universiteit mij niet te benoemen. De rector handelde uit politieke motieven, hij stond onder druk van fundamentalistische hoogleraren die dreigden met studentenoproer. Ongelukkigerwijs gaf hij toe en negeerde de positieve adviezen van mijn vakgroep en faculteit. Zijn aanstelling is niet verlengd. De nieuwe rector steunt me wel, en afgelopen mei werd ik alsnog hoogleraar. Na het vonnis verklaarde hij publiekelijk dat de universiteit de uitspraak van het hof betreurde en dat mijn academische positie niet ter discussie stond.”

In Leiden voegt Abu Zeid zich bij het INIS, het Nederlands-Indonesische samenwerkingsproject op het gebied van islamstudies. Indonesiërs die daaraan meedoen kwamen al via het Nederlands Instituut in Kairo op de faculteit van Zeid langs om kennis te nemen van de Egyptische variant. De Egyptenaar bereidt inmiddels een serie colleges voor en wellicht houdt hij nog eens een lezing over de Egyptische islamitische beweging. Maar hij mist zijn studenten zeer. “Zeker, ze hadden kritiek maar tegelijk was er respect omdat ik nooit met een veroordeling klaar stond, zelfs niet als ik in een examenwerkstuk werd aangevallen.”

Durft u nog terug naar Egypte?

“Ook al win ik voor het Hof van Cassatie, de beschuldigingen zullen aanhouden. Lange tijd zal ik de afvallige professor zijn, in het beste geval ex-afvallig. Dat vooruitzicht stemt me droef. Wat heb ik op die manier nog in Egypte te zoeken?”