JAMES RESTON 1909-1995; Heraut van 'nieuwe' journalistiek

WASHINGTON, 9 DEC. De legendarische Amerikaanse journalist James Reston, die woensdagavond op 86-jarige leeftijd aan kanker is overleden, vond dat hij als sportverslaggever de best denkbare opleiding in zijn vak had gekregen. Als een politiek journalist iets opschrijft wat niet klopt, zei hij, dan krijgt hij hoogstens een boze ingezonden brief. Een sportjournalist krijgt een klap voor zijn kop, en die wetenschap helpt als je moet leren nauwkeurig te zijn.

In het naoorlogse Washington was Reston jarenlang niet alleen de best ingevoerde politieke journalist, maar ook de meest invloedrijke. In een tijd dat er nog geen televisie was en zijn krant, The New York Times, geen serieuze concurrent had, wist Reston als geen ander door te dringen tot belangrijke politici en diplomaten. Hij was bij uitstek een insider in Washington, in een tijd dat journalisten en politici nog amicaal met elkaar konden omgaan - iets waar de Vietnam-oorlog en het Watergate-schandaal een einde aan maakten.

Voor een hele generatie journalisten was Reston een voorbeeld, een symbool van een nieuwe journalistiek die intelligent en internationaal georiënteerd wilde zijn. Zijn interviews met staatslieden van over de hele wereld werden op het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken gespeld.

De status die Reston genoot blijkt ook uit een herinnering die Ben Bradlee, de voormalige hoofdredacteur van The Washington Post, ophaalt in zijn onlangs verschenen memoires. Als onervaren Europees correspondent die in 1954 bij een conferentie in Genève maar met moeite de aandacht van een woordvoerder kon trekken, zonk Bradlee de moed in de schoenen toen hij zag hoe “mijn held, James 'Scotty' Reston” opereerde en door de machtigen bejegend werd: de belangrijke nieuwe Amerikaanse ambassadeur in Moskou begroette Reston als een oude vriend, Reston op zijn beurt stompte de ambassadeur speels op de schouder. Het was duidelijk, dit waren maatjes. Dergelijke betrekkingen onderhield Reston met veel invloedrijke figuren van zijn tijd - in Washington, maar ook in andere hoofdsteden. Volgens sommigen schreef Reston te welwillend over veel politici om zijn goede contacten niet op het spel te zetten.

Reston werd in 1909 in Schotland geboren. Met zijn ouders emigreerde hij op jonge leeftijd naar de VS. Hij groeide op in Dayton (Ohio), en al tijdens zijn studie kreeg hij zijn eerste baantje als sportverslaggever bij een kleine lokale krant. Het persbureau Associated Press, waarvoor hij in New York drie jaar over sport schreef, zond hem uit naar Londen, waar hij 's winters over het Britse Foreign Office schreef, en 's zomers over sport.

In 1939 trad hij in dienst bij The New York Times, als jongste medewerker op het bureau in Londen. Een halve eeuw werkte hij voor de NYT, als verslaggever, columnist, hoofd van het bureau in Washington en lid van de hoofdredactie. Een van zijn beroemde primeurs was zijn berichtgeving over de blauwdruk voor wat de Verenigde Naties moest worden, die hij in 1945, tijdens de Conferentie van Dumbarton Oaks, in handen kreeg. Volgens zijn stelregel dat de gefrustreerde partij altijd het meest genegen is met de pers te praten, had hij een lid van de Chinese delegatie weten over te halen hem alle belangrijke documenten ter beschikking te stellen. Dag na dag publiceerde hij uit de geheime stukken.

Als columnist huldigde Reston de stelregel dat niet zozeer zijn mening interessant was, als wel wat hij van anderen te weten kwam. En hij slaagde er in veel te weten te komen, dikwijls door met een klein beetje informatie een bron op te bellen en te suggereren dat hij helemaal op de hoogte was, waarna de bron hem verder in vertrouwen nam.

Reston geldt als bedenker van de inmiddels in veel Amerikaanse kranten gangbare Op-Ed pagina, een pagina met columns en opiniërende artikelen die tegenover de pagina met het hoofdartikel ligt. Twee keer werd aan Reston de Pulitzer-prijs toegekend, de belangrijkste journalistieke onderscheiding. Toen eens door een staking de krant niet verscheen, klaagde hij: Hoe kan ik weten wat ik denk, als ik niet kan lezen wat ik schrijf?