In volle vlucht (3)

Op de middagvlucht van Boedapest naar Amsterdam, het begon op forensen te lijken, stond ik in het gangpad en zocht mijn plaats - tas in de hand, jas op de arm (en nog net niet, als een snaveldier, met de boarding pass tussen de lippen; je ziet dat wel eens), helemaal gespitst op de manoeuvres die nog komen moesten voor ik en mijn bezit goed en wel gestouwd waren. De meeste passagiers zaten al, toen een gedrongen man, twee rijen achter de mijne, half uit zijn zetel kwam als om een bekende te begroeten; hij keek om zich heen om zijn gehoor te schatten en riep met luide stem in mijn richting: “Zeg, hee! Heb je wel eens een echte jood gezien!”. Hij liet zich wat zakken en herhaalde nog eens met kracht: “Een hele, echte jood”.

Het was geen vraag, meer een aankondiging. Moest hij mij hebben? Ik heb inderdaad nogal wat echte joden gezien en dat is mij misschien ook aan te zien.

Maar zijn optreden keerde zich nu naar binnen, en hij dreinde zacht voor zich uit: “De joden, de echte joden, dat zijn wij”. Het daagde mij nu, dat zich hier een achterblijver van het Ajax-legioen roerde, dat de dag tevoren nog de grote overwinning op de Hongaarse kampioen had toegejuicht. Tijdens die wedstrijd waren de Hongaarse fans zich aan allerlei fascistisch en racistisch gekrijs te buiten gegaan. De Nederlanders hadden daar aanstoot aan genomen en de beginselvaste anti-fascistische houding die de ploegleider van Ajax na afloop had laten blijken had in Nederland, zo kort nog na Srebrenica, grote indruk gemaakt.

De achterhoede van het Nederlands legioen zat in het vliegtuig. Ze waren maar met weinigen en het was alweer haast een etmaal na de wedstrijd, maar ze waren vast besloten de stemming erin te houden. Dat viel niet mee, want die was een gewone lijnvlucht met zakenmensen en toeristen die de hele wedstrijd allang weer vergeten waren en wel wat anders aan hun hoofd hadden. De fans zaten bovendien niet bij elkaar, maar met twee of drie door de toeristenklasse verspreid.

“Gaan we zingen, jongens, of gaan we niet zingen? Hebben we lol of hebben we pret?”

Het was dapper om zo als eenling of tweetal de schouders onder de alledaagsheid te zetten en te gaan wrikken. Maar het had onmiddellijk effect. In de rest van de cabine bekoelde de stemming, conversaties vielen stil of werden op fluistertoon voortgezet, de bewegingen werden tot het hoogstnodige beperkt, en de passagiers in de meest nabije stoelen vroren vast in hun laatst aangenomen houding, een jonge Engelsman aan de andere zijde van het gangpad werd onder zijn basketbalpetje knalrood en die blos bleef gedurende de gehele vlucht.

Toch had niemand nog iets misdaan. Er hing een geur van een verschraalde vrolijkheid die nog één keer tot bruisen moest worden geklopt.

“Jos, komt er nog wat, gaan we nou zingen, of niet?”

Drie rijen naar achteren zat Jos, te bleu om de zingen, te laf om te weigeren.

“Ja joh, gaan we doen.”

Maar zingen ho maar.

“Want wat is-tie mooi geweest, reken maar dat-ie mooi was. En dat we hem geraakt hebben.”

- “Wat geraakt, de bal of de pils?”

“Ha ha, de bal of het bier. Nou, als ik hem eenmaal raak, dan raak ik hem goed, want als ik op stoot ben, nou... dan ben ik op stoot.”

- “Ja, als hij eenmaal op stoot is, dan raakt hij hem ook gelijk goed.”

“Er bovenop!” “De volle mep!”

- “Ja, als hij eenmaal op stoot is, dan weet-ie hem te raken.”

“Zie je wel, ze zegt het zelf”, “En zij kan het weten”, “Kan je nagaan”.

Zulke zinnetjes waren het, ongeveer, want de letterlijke tekst is me ontschoten. Wat bijblijft is het bonkende ritme en de douwende melodie van de samenspraak. En na elke zin voor solo-stem volgde als een refrein voor koor het gezamenlijk gelach: een ritmisch balkend uitademen met een kleine gier bij de inademing. Dan kwam de volgende spreekzanger, die een nieuwe variant opzei. En weer dat obsederend koor: 'hok hok hok, ha ha ha'.

Dolgraag zou ik van zo'n sessie een opname bezitten die ik dan aan buitenlandse vrienden kon laten horen als de enige authentieke volksmuziek die Nederland ooit voortgebracht heeft. Een levende, oorspronkelijke vorm van collectieve, geïmproviseerde volkskunst, die tegen alle media en tegen de commercie in met hart en ziel boefend wordt overal waar gewone Nederlanders onder elkaar zijn; maar die, uiteraard, door de elite geminacht en gemeden wordt.

“Hok hok hok, ha, ha, ha. Pak hem nog een keer!”

Maar mijn medepassagiers waren verstijfd van schaamte, niet om zichzelf maar om die paar feestgangers; plaatsvervangende schaamte dus. En ook de pretmakers moesten vechten tegen een hardnekkige verlegenheid en plotseling opkomende moedeloosheid. Voor lol is een gezelschap nodig en lolmakers kunnen niet zonder elkaar. In dit vliegtuig was elke loltrapper een randverschijnsel, geflankeerd door koele buren. Als kooltjes uit het vuur gevallen konden zij zich niet warmen aan elkaar en doofden onherroepelijk uit. - “Had leuker geweest als we met de hele ploeg waren.”

De schaamte had het uiteindelijk gewonnen en iedereen bleef op zijn plaats. Er was geen aanleiding voor verontwaardigde hoofdartikelen over wangedrag of neerbuigende stukjes over platvloerse smakeloosheid waarin auteur en lezer elkaar in de armen kunnen vallen als het laatstovergebleven beschaafd publiek.