'Ik heb iets tegen het gedogen, dat stoort me'; Belgische minister over Haags drugsbeleid

BRUSSEL, 9 DEC. Ook hij heeft ooit een stickie gerookt. Die onthulling is de meest recente, in België geruchtmakende uitspraak waarmee minister van binnenlandse zaken Johan vande Lanotte het nieuws haalde. Vande Lanotte staat bekend om zijn uitgesproken meningen, ook als het kritiek op anderen betreft. “Onzinnig” en “hypocriet” noemde hij deze zomer het Franse verzet tegen opheffing van de grenscontroles. Ook Nederland moest het ontgelden. Begin dit jaar hekelde Vande Lanotte de nieuwe Nederlandse asielwetgeving, een paar dagen later noemde hij coffeeshops een grandioos mislukt experiment en voorspelde hij dat Nederland grote drugsproblemen zou krijgen.

Het is waarschijnlijk zijn directe stijl, die de 40-jarige Vande Lanotte zo geliefd maakt bij de kiezers. Meer dan vijfduizend voorkeurstemmen haalde hij bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen in zijn woonplaats Oostende - voldoende voor de burgemeesterszetel, maar hij verkoos de nationale politiek. Eind vorig jaar werd Vande Lanotte minister van binnenlandse zaken, sinds juni is hij ook vice-premier. Daarnaast is hij advocaat en hoogleraar publiek recht. Sinds de Agusta-smeergeldaffaire begin dit jaar de Socialistische Partij toetakelde, is Vande Lanotte een van de pijlers van zijn partij. Ondanks zijn vaak zeventienurige werkdag, heeft de minister een uurtje de tijd om, met de voeten op tafel, een Nederlandse journalist te woord te staan.

Begin dit jaar haalde u fel uit naar het Nederlandse drugsbeleid, nu bent u veel positiever. U nam Nederland onlangs zelfs in bescherming, voor het Europees Parlement, tegen Franse kritiek. Wat is er in de tussentijd gebeurd?

“De Fransen brengen het nogal onheus. Ook al heb ik een aantal kritieken op het Nederlands drugsbeleid, dat geeft me niet het recht om, zoals de Fransen doen, eens uit te leggen hoe het wel moet. De Fransen doen alsof alle drugs via België en Nederland hun land binnenkomen en mevrouw Sorgdrager heeft terecht geantwoord: “Hebben jullie dan geen haven in Marseille?” Ik heb de indruk dat men in Frankrijk het beleid in Nederland onvoldoende kent. Ten tweede kan ik niet ontkennen dat er in het Nederlandse drugsbeleid het laatste jaar een evolutie ten goede is. Men stelt duidelijk: wij gaan nìet legaliseren en we gaan een aantal gedoogregels strakker toepassen. Dat de maximum verkoop van cannabis van dertig naar vijf gram gaat en het aantal coffeeshops vermindert, duidt erop dat Nederland naar strengere controle gaat. Ook de aanpak van de drugsoverlast is redelijk repressief. Ik blijf het fundamenteel oneens met de coffeeshops. Maar goed, daar heeft Nederland zijn verantwoordelijkheid. Nu Nederland strakker gaat controleren, kan ik als buurland niet meer zeggen: je creëert ons problemen. Dat was anders toen men een ongebreideld aantal coffeeshops toeliet en bovendien de controle niet goed was. Toen kon ik zeggen: je bent bezig attractief te zijn, je bent bezig het drugstoerisme te organiseren.”

U heeft minister Sorgdrager (justitie) geadviseerd dat ze meer van zich moet afbijten tegenover Frankrijk. Waarom gaf u dat advies?

“Ik vind niet dat Nederland altijd moet zeggen: president Chirac zegt iets, dus dat is juist. Het zal wel een karaktertrek zijn van kleine landen als Nederland en België, ten opzichte van de grote buur. Maar ook een klein land mag zijn ideeën verkondigen. Tenslotte heeft de Franse president niet geaarzeld het Nederlands beleid te kritiseren, waarom moet mevrouw Sorgdrager dan aarzelen? Ik vind dat je onder landen wel eens iets gepeperds mag zeggen.”

Heeft minister Sorgdrager uw advies gevolgd?

“Ik heb de indruk dat mevrouw Sorgdrager zich de laatste tijd goed verdedigt. Maar ik heb niet de pretentie dat het komt doordat ik haar geadviseerd heb. Ik denk dat mevrouw Sorgdrager wel voor zichzelf kan opkomen.”

Hoe kunt u volhouden dat coffeeshops een grandioos mislukt experiment zijn, als je de cijfers bekijkt in de Nederlandse drugsnota: Nederland heeft in Europese vergelijking weinig harddrugsverlaafden: 1,6 per duizend inwoners, tegenover 1,7 in België en een Europees gemiddelde van 2,7 promille.

“Ten eerste ben ik verbaasd over de exactheid van die resultaten. Ik denk dat geen enkel land echt in staat is dat te meten. Nederland komt altijd met dat cijfer van 25.000 harddruggebruikers, dat gestabiliseerd is. Ik vind het als gewezen socioloog merkwaardig, dat men dat zo kan zeggen. Ten tweede zie ik de redenering niet bewezen dat het aantal harddruggebruikers is gestabiliseerd doordat de markten van soft- en harddrugs gescheiden zijn. Dat lijkt me een te gemakkelijke argumentatie. Bovendien is er niet zo'n groot verschil tussen Nederland en België. Ook hier is de markt van hasj meestal afgescheiden van de rest. Zonder dat wij het zo propageren, heeft iedere Belgische stad wel een aantal pleintjes die als ongeorganiseerde coffeeshops dienen. Het Belgisch en Nederlands drugsbeleid is voor 90 procent hetzelfde. Het grote verschil is de boodschap: aanvaard je het als gegeven dat mensen drugs gebruiken. Als Nederlanders dat aanvaarden, dan is dat hun keuze. Ik zie er de zin niet van in te accepteren dat jongeren van dertien tot vijftien, die net het kakschooltje hebben verlaten en zeer beïnvloedbaar zijn, hasj beginnen te roken. Ik heb iets tegen het uitgangspunt van het gedoogbeleid, dat is iets wat mij stoort.”

In België bestaat in de praktijk ook een gedoogbeleid voor kleine hoeveelheden softdrugs. Iemand met drie gram hasj op zak wordt niet achter de tralies gezet. Waarom wordt deze praktijk in het officiële beleid ontkend?

“Ook iemand die wordt betrapt met drie gram hasj wordt soms achter de tralies gezet. Dat is een probleem, ons strafrechtelijk beleid is niet duidelijk genoeg. Daar kunnen we iets leren van Nederland. Wij hebben niet de traditie dat de minister van justitie richtlijnen geeft. Ik ben het daar niet mee eens, maar het Openbaar Ministerie aanvaardt veel minder sturing van de minister. Een andere reden waarom ook iemand die wordt betrapt met drie gram soms achter de tralies belandt, is dat wij te weinig mogelijkheden hebben van alternatieve sanctionering. Je kunt tegen een rechter zeggen: iemand die soft drugs gebruikt, zet je toch niet in de gevangenis? Maar dan moeten er wel alternatieven zijn. Het belangrijkste verschil met Nederland is dat wij niet gedogen.”

Vorige week werd een zestienjarige Vlaamse jongen begraven. Hij was op een feestje betrapt op bezit van drugs, belandde eerst een week in de gevangenis en daarna in een gesloten jeugdinstelling waar hij overleed aan een hartstilstand. Wat vindt u daarvan, een zestienjarige in de gevangenis?

“Ik vind dit een duidelijk voorbeeld dat een rechter geen alternatieve sancties beschikbaar had. We hebben een probleem ten opzichte van jongeren, er is onvoldoende opvang. Omdat de gesloten instelling voor jongeren vol was, belandde deze jongen in de gevangenis. Ik vind dat iemand van zestien niet in de gevangenis moet zitten. België is hiervoor overigens al eens veroordeeld. De oplossing is alternatieve sancties en daarvoor hebben we het komend jaar 250 miljoen frank (14 miljoen gulden) uitgetrokken.”

U wilt jongeren beschermen, waarom doet u niet meer om te voorkomen dat er elke weekeinde tientallen, meestal jonge verkeersdoden vallen in België?

“Dat is alsof je zegt: we gaan geen geld ophalen voor kankerbestrijding, want we moeten eerst wat doen aan aids. Bovendien hebben verkeersdoden in ruime mate te maken met drugsgebruik, vooral xtc.”

Onlangs bekende u in een interview zelf hasj te hebben gerookt. Even daarvoor bekende uw collega van volksgezondheid Marcel Colla dat hij artsen euthanasie heeft gesuggereerd voor zijn doodzieke moeder. Wordt dit een trend in België, politici die persoonlijke bekentenissen afleggen?

“Ik heb geen bekentenis gedaan. Ik heb alleen antwoord gegeven op een vervelende, zeer directe vraag. Ik had rond de pot kunnen draaien, maar dan was ik er nog weken door achtervolgd. En bovendien heb ik daar een hekel aan. Daarom heb ik geantwoord, maar een bekentenis of een trend is dat niet. Ik hoop in elk geval dat de trend zich niet doorzet, dat men iedere week iets gaat vragen over mijn jeugd.”

Over twee weken wordt in Oostende de laatste bijeenkomst onder Belgisch voorzitterschap gehouden, van de zeven 'Schengen'-landen die deze zomer de onderlinge grenscontroles afschaften. Gaat u Frankrijk daar over de streep trekken om ook de controles af te schaffen?

“Dat is niet meer de vraag die ik me stel. De vraag is: zijn ze daartoe echt bereid? Ze hadden een perfect excuus om de controles te handhaven, dat was terrorisme. Nu het terroristisch element lijkt uitgeschakeld, is de vraag of Frankrijk van het verschil in drugsbeleid een punt wil maken om de controles aan te houden, of zegt de Franse regering: we hebben weliswaar verschillen, maar we gaan de politiesamenwerking beter op elkaar afstemmen en daarna schaffen we de grenscontroles af? Als Frankrijk voor het laatste kiest, dan is het enkel een kwestie van tijd. Indien Frankrijk zegt: er moet eerst een uniform Europees drugsbeleid komen voordat we de controles afschaffen, dan gaan we een flinke stap achteruit en krijgen we veel problemen. Nu moet ik zeggen dat de Franse houding de laatste maanden meer wees in de richting van samenwerking.”

Begin dit jaar kritiseerde u via de media het Nederlands drugsbeleid, waarop minister Sorgdrager vroeg waarom u niet de telefoon had gepakt om rechtstreeks de kritiek te melden. Heeft u tegenwoordig vaker telefonisch contact?

“We krijgen zeer geregeld nota's uit Nederland, de drugsnota heb ik, geloof ik, zes keer gekregen. We zien elkaar ook wel op Europese bijeenkomsten. Begin dit jaar waren we beiden relatief nieuw en we hebben onze positie duidelijk gemaakt. Ik vind het niet erg, als dat eens openlijk gebeurt. Een beetje debat schrikt de geesten even op. Maar het heeft geen zin om continu op te schrikken, je moet ook tot conclusies komen. Ik denk dat wij zo stilletjes aan met Nederland een aantal goede contacten hebben. Kijk, de Belgische pers stelde mij de vraag: 'Bent u voor coffeeshops?' Moet ik dan zeggen: ik zal eerst eens bellen met mevrouw Sorgdrager of ik vind dat coffeeshops goed zijn of niet? Ik heb gezegd dat ik het onzin vond. Misschien had ik moeten zeggen dat ik coffeeshops 'niet bepaald het meest geslaagde experiment' vond, of zo. Maar dan begrijpt niemand het. Ik heb gewoon gezegd wat ik ervan denk. ”