Gooi hem omver!

Wekenlang heeft hij ernaar uitgekeken, maar vandaag is het zover: het judotoernooi. Helemaal gemakkelijk voel ik me nooit als ik bij de sportschool naar binnen ga.

De locatie waar mijn zoon zijn judolessen krijgt ziet er iets te snel en te glad uit. Bij het ontwaren van gespierde dames op hometrainers, moet ik onwillekeurig denken aan de reclamespot voor een fris, maar onsmakelijk soort broodbeleg. Gebruinde spierbundels die aan apparaten hangen boezemen me nog meer afkeer in. Daarom snel verder naar de kleedkamer overvol vijf- tot zevenjarige judoka's, die door hun moeders uit de kleren en in hun judopak worden gehesen. De meisjes mogen hun hemd aanhouden onder het pak, de jongens niet. Onderscheid moet er blijven. In de ernaast gelegen zaal, kunstmatig groter gemaakt door twee spiegelende wanden, legt de sportleraar uit wat de bedoeling is. Twee minuten duurt elk gevecht, zo vertelt hij. Begin en einde van de confrontaties worden aangeduid met Chinese kreten, terwijl de punten ook in het Chinees worden geteld. Bij het toernooi gaat het niet om het winnen, maar alleen om het spel, zo voegt hij er nadrukkelijk aan toe. We vechten voor ons plezier.

De kinderen snappen het. Met verbazing zie ik mijn 7-jarige zelfbewust naar voren treden. Zo ken ik hem niet. Hij doet een krachtige poging zijn tegenstander uit zijn evenwicht te krijgen, maar nog geen twee minuten later eindigt zijn strijd in een houdgreep waar hij niet meer weet uit te spartelen. Een donkerblauw zakje dat op de mat wordt gegooid redt hem van een dreigende verstikking. Stralend staat hij op en geeft zijn tegenstander een hand. “Jullie hebben mooi gejudood”, zegt de leraar die scheidsrechtert. De jongens lopen glunderend weg, als hadden ze beiden gewonnen. Vechten volgens de regels, maar vooral voor je genoegen.

Maar ouders zijn hardleers, zij denken nog altijd in termen van verliezen en winnen. Als Jessica de mat betreedt, begint de vrouw naast mij keihard te krijsen. “Haal hem naar je toe, laat hem niet glippen. Hup, Jessica, je kunt het best.” Tot een echt gevecht komt het niet, het blijft wat plukken en trekken. Elke poging tot een worp stuit af, want Jessica vecht dan wel niet, ze staat wel stevig op haar benen. De stem naast mij verdubbelt in volume. Bij Jessica zie ik de eerste tranen over de wangen lopen. Ze staat nu niet alleen tegenover haar tegenstander, maar moet ook de ongelijke confrontatie met haar moeder aan. Even later werpt ook oma, een bank naar achteren, zich met haar volle gewicht in de strijd. “Jessica! Gooi hem omver, jij bent veel sterker!” Na twee minuten eindigt het gevecht onbeslist. Brullend zoekt Jessica haar heil bij haar moeder, in afwachting van de volgende ronde. De verwijten die haar worden gedaan gaan me door merg en been.

Het geschreeuw blijkt besmettelijk te zijn. Steeds meer ouders beginnen zich nu met het verloop van de strijd te bemoeien. De sterksten hebben de halve wereld, hoor je de ouders denken, en daar hoort mijn kind bij. Weldra gaat de zaal te keer als bij een bokswedstrijd van Regilio Tuur. Je ziet de gezichten van veel kinderen verder verkrampen, naarmate ze een ronde verder komen.

Na anderhalf uur is het toernooi afgelopen. De kinderen heffen hun medailles als hadden ze de Olympische Spelen gewonnen. Voor Jessica is er een tweede prijs, voor elkaar geschreeuwd door haar moeder. Volgende week is er weer gewoon les. Zonder toeschouwers.